Jacoba Gijsbertha Beatrix van Vianen
Jacoba Gijsbertha Beatrix van Vianen, geb. in 1754, ovl. (ongeveer 81 jaar oud) te Jutphaas [ut] in 1835.
tr. (resp. ongeveer 29 en 22 jaar oud) op 18 aug 1783 Het Centraal Museum in Utrecht bewaart een penning t.g.v. hun 50-jarig huwelijk (1833)
met
Barthold de Geer van Jutphaas bij KB van 13 Juli 1815 ingelijfd in de Nederlandse adel, zn. van Johan Jacob de Geer en Theodora Anna van Haeften, geb. te Jutphaas [ut] op 5 aug 1761, ovl. (76 jaar oud) te Utrecht [ut] op 28 apr 1838.
Uit dit huwelijk 2 zonen:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Herman | *1786 | Utrecht [ut] | †1850 | Utrecht [ut] | 64 | 1 | 0 |
| 2 | Anthony | *1788 | Utrecht [ut] | †1871 | Utrecht [ut] | 82 | 1 | 3 |
>
Charlotta Hedwig Ulrica de Malapert
Charlotta Hedwig Ulrica de Malapert, geb. in 1745, ovl. (ongeveer 76 jaar oud) in 1821.
- Vader:
Lodewijk de Malapert, zn. van Pieter de Malapert en Susanna Godin, geb. te Utrecht [ut] in 1708, ged. te Utrecht [ut] op 18 feb 1708, ovl. (ongeveer 74 jaar oud) te Jutphaas [ut] in 1782, tr. (resp. ongeveer 46 en 38 jaar oud) (2) te Utrecht [ut] op 3 mrt 1755 met Engelberta Elisabeth Godin. Uit dit huwelijk een kind, tr. (resp. ongeveer 31 en 27 jaar oud) (1) te Jutphaas [ut] op 4 aug 1739.
tr. (resp. ongeveer 27 en ongeveer 34 jaar oud) te Jutphaas [ut] op 25 okt 1772
met
Jan Carel van der Muelen Heer Van Blijenburg, zn. van Jan Andre van der Muelen en Charlotte de Geer, geb. in 1738, ovl. (ongeveer 90 jaar oud) in 1828.
Uit dit huwelijk 2 kinderen:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Pieter | *1780 | | †1841 | | 61 | 1 | 1 |
| 2 | Sophia | *1783 | Zutphen [ge] | †1856 | Zutphen [ge] | 73 | 1 | 0 |
>
Jan Carel van der Muelen
Jan Carel van der Muelen Heer Van Blijenburg, geb. in 1738, ovl. (ongeveer 90 jaar oud) in 1828.
tr. (resp. ongeveer 34 en ongeveer 27 jaar oud) te Jutphaas [ut] op 25 okt 1772
met
Charlotta Hedwig Ulrica de Malapert, dr. van Lodewijk de Malapert en Louise de Geer, geb. in 1745, ovl. (ongeveer 76 jaar oud) in 1821.
Uit dit huwelijk 2 kinderen:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Pieter | *1780 | | †1841 | | 61 | 1 | 1 |
| 2 | Sophia | *1783 | Zutphen [ge] | †1856 | Zutphen [ge] | 73 | 1 | 0 |
>
Aeneas Mackay
Aeneas Mackay John Mackay trouwde tweemaal. Uit zijn tweede huwelijk, met zijn achternicht Barbara Mackay of Scoury, had hij o.a. drie zoons, van wie de oudste, Donald, de vader werd van George, derde lord
Reay. Van de tweede, Aeneas, stamt de tak af, die nu nog in Nederland voortbestaat. Deze Aeneas ging op vijftienjarige leeftijd naar de Republiek om daar door zijn neef Hugh Mackay of Scoury over
wie nader in paragraaf II -te worden opgeleid tot officier.
Sinds 1573 maakten schotse troepen deel uit van het leger van de Staten-Generaal en van 1628 tot 1782 waren hier te lande steeds drie regimenten, die tezamen bekend zijn gebleven als de schotse
brigade. De hoofdofficieren van dat corps behoorden merendeels tot vooraanstaande schotse
families. Velen trouwden met nederlandse vrouwen en werden zo in onze samenleving opgenomen, maar zij bewaarden daarbij toch wel de relaties met hun land van herkomst; zij
bleven trouwens door een eed aan de koning van Groot-Brittannië verbonden. Het was niet ongewoon, dat uit één en dezelfde familie verscheidene officieren voor de brigade voortkwamen, soms generaties achtereen. Dit was ook bij de Mackays het geval.
Aeneas werd op 28 november 1684 kapitein in het regiment, waarover zijn neef het bevel voerde. In 1688 riep Jacobus II uit vrees voor de plannen van zijn schoonzoon Willem III de brigade terug. De overgrote meerderheid van de officieren, waaronder Hugh en Aeneas Mackay, stond echter aan
de kant van de prins van Oranje en weigerde aan de oproep gevolg te geven. Een bezoek, dat Aeneas in dat jaar aan zijn zuster in Schotland bracht, werd -te recht of ten onrechte -aanleiding om hem ervan te verdenken, dat hij een geheime opdracht van de stadhouder had; hij werd
gevangen genomen en kon prins Willems invasie niet meemaken. Wel nam hij naderhand o.m. deel aan de veldslagen bij Killiecrankie (27 juli 1689), Cromdale (april 1690) en Athlone (2 juli 1691).
Toen zijn neef gesneuveld was in augustus 1692 volgde hij hem op als commandant van zijn regiment. Kort tevoren, op 29 januari 1692, was hij getrouwd en wel in de kring van zijn beroep: Margaretha
Puchler was een dochter van de garnizoenscommandant van Tiel, François Puchler, wiens vader Eustachius Puchler eveneens officier in dienst van de Republiek was geweest. Het geslacht Puchler
is uit Tirol of Stiermarken afkomstig. Bij de verovering van Namen op 1 september 1695 werd Aeneas, die inmiddels tot brigadegeneraal
was benoemd, zo ernstig gewond, dat hij zijn militaire loopbaan moest afbreken. Te
Bath, waar hij herstel van gezondheid zocht, is hij in 1697 gestorven. Zijn weduwe bleef te Tiel wonen, geb. in 1666, ovl. (ongeveer 31 jaar oud) te Bath [Verenigd Koninkrijk] in 1697.
tr. (resp. ongeveer 26 en ongeveer 21 jaar oud) in 1692 huwelijkse voorwaarden
met
Margaretha Puchler Kort tevoren, op 29 januari 1692, was hij getrouwd en wel in de kring van zijn beroep: Margaretha Puchler was een dochter van de garnizoenscommandant van Tiel, François Puchler, wiens vader Eustachius Puchler eveneens officier in dienst van de Republiek was geweest. Het geslacht Puchler
is uit Tirol of Stiermarken afkomstig, geb. in 1671, ovl. (ongeveer 90 jaar oud) vermoedelijk te Tiel [ge] in 1761.
Uit dit huwelijk een zoon:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Daniël | *1696 | | †1745 | Doornik | 48 | 1 | 2 |
>
Cornelis Anne Mackay
Cornelis Anne Mackay Cornelis Anne, Aeneas' vierde zoon, schijnt zich aanvankelijk ook voorgesteld te hebben een carrière bij het landleger te maken. In 1784 vinden we hem als kadet bij het regiment Houstoun. Merkwaardig genoeg, want, zoals we al gezien hebben, bestond de schotse brigade als afzonderlijk corps in feite toen al niet meer. Voor een aanhanger van de stadhouder lag het voor de hand naar de marine over te gaan. In 1799 werd de luitenant ter zee Mackay geplaatst op een
van de schepen, waarvan de bemanning bij de Vlieter niet onder de patriotse admiraal Story had willen vechten, toen de Engelsen de vloot hadden opgeëist. In 1800 kreeg hij een aanstelling als kapitein-luitenant ter zee en bevel van Willem V vanuit Londen om in die kwaliteit te dienen op
het schip Ambassade. In 1814 is hij uit de zeedienst gegaan; vervolgens was hij onder meer
kantonrechter en wethouder te Zutphen en lid van de Provinciale Staten van Gelderland. Hij is tweemaal getrouwd geweest, eerst met Jacoba Alexandrina Helena Beata van Heeckeren en, na
haar overlijden, met Sophia Constantia van der Muelen. In 1841 is hij kinderloos gestorven, geb. in 1769, ovl. (ongeveer 71 jaar oud) te Zutphen [ge] op 10 mei 1841.
- Vader:
Aeneas Mackay Kolonel le regt. Schotsche Brigade in dienst der Staten-Generaal Aeneas diende in het regiment van zijn vader, dat na diens dood achtereenvolgens
gecommandeerd werd door Alexander Marjoribanks (tot december 1773), Hugh Mackay (tot
januari 1775) en John Houstoun. Toen de brigade werd ontbonden was hij sedert twee en een half
jaar luitenant-kolonel. Met zijn zoons vertrok hij in 1783 naar Schotland, maar keerde na het
sluiten van de vrede terug en vestigde zich in Nijmegen. Hij is nog tot kolonel bevorderd, heeft echter niet meer aktief als zodanig gediend en ook geen burgerlijke funkties van belang bekleed. Hij was trouwens een welgesteld man; de familie had sedert de vestiging in de Republiek een grote hoeveelheid landerijen in het kwartier van Nijmegen verworven. Het oude en al vroeg aanzienlijke geslacht, waaruit zijn echtgenote, Ursulina Philippina van Haeften stamde, zal in de volgende paragraaf uitvoerig ter sprake komen, zn. van Daniël Mackay en Arnolda Margaretha van den Steen, geb. te 's-Hertogenbosch [nb] op 26 aug 1734, ovl. (ongeveer 72 jaar oud) te Nijmegen [ge] in 1807, begr. te Nijmegen [ge] op 15 jul 1807, tr. (beiden 28 jaar oud) te Nijmegen [ge] op 14 jun 1763.
tr. (resp. ongeveer 38 en 45 jaar oud) (1) te Zutphen [ge] op 6 jun 1808
met
Jacoba Alexandrina Helena Beate van Heeckeren, dr. van Jacob Adolph van Heeckeren en Charlotte Alexandrine van Westerholt, geb. te Arnhem [ge] op 12 feb 1763, ovl. (55 jaar oud) te Zutphen [ge] op 7 dec 1818.
tr. (resp. ongeveer 53 en 39 jaar oud) (2) te Gorssel [ge] op 7 nov 1822
met
Sophia Constantia van der Muelen, dr. van Jan Carel van der Muelen en Charlotta Hedwig Ulrica de Malapert, geb. te Zutphen [ge] op 23 mrt 1783, ovl. (73 jaar oud) te Zutphen [ge] op 6 mei 1856.
>
Aeneas Mackay van Ophemert
Aeneas Mackay van Ophemert Bartholds oudste zoon, Aeneas baron Mackay van Ophemert, die evenals zijn vader aktief aan het openbare leven heeft deelgenomen, was een tijdgenoot van Thorbecke en Groen van Prinsterer. Hij was niet van het formaat van deze twee, maar heeft toch als staatsman wel iets meer betekend dan de gangbare litteratuur over onze negentiende eeuw doet vermoeden. Zijn loopbaan begon hij, na te Utrecht volbrachte studie in de rechten, als advocaat in Den Haag. Hij onderbrak zijn
praktijk in 1831 om als tweede luitenant met de zuidhollandse schutterij uit te trekken tegen de Belgen. Belangrijker was, dat hij in 1835 werd verbonden aan het hof, eerst als kamer-heer van de prins en de prinses van Oranje tezamen, en na de troonsbestijging van Willem II in dezelfde funktie
bij koningin Anna Pawlowna alleen. Tot 1846 was hij kamerheer in gewone, sedertdien in buitengewone dienst. Daarnaast was hij van 1840 tot 1850 ambtenaar bij de Raad van State en
vanaf 1843 gecommitteerde van de regering bij de Maatschappij van Weldadigheid. In 1843 ook
werd hij beschreven in de ridderschap van Zuid-Holland; daardoor kreeg hij in 1846 zitting in de Provinciale Staten, en dat college koos hem in 1848 tot lid van de Tweede Kamer. Na de Kamerontbinding, die de consequentie was van de grote grondwetswijziging van dat jaar, werd Mackay weliswaar niet aanstonds herkozen. Gedurende de periode van 14 februari 18495
november 1850 bleef hij buiten de Kamer; hij nam toen zijn zetel in de Staten van Zuid-Holland weer in en werd daar al spoedig tot Gedeputeerde aangewezen. Maar na de invoering van de kieswet vaardigde Arnhem hem af en is hij voor dat district Kamerlid gebleven tot 1862. Hij
behoorde tot de Réveilkring en vertegenwoordigde in de Kamer de antirevolutionaire richting. Hoewel het aantal van zijn "politieke vrienden" toen in het parlement niet heel groot was werd er toch meer rekening met deze groep gehouden dan men wellicht geneigd is te denken. In 1859
werd hij aangezocht voor het gouverneurschap van Suriname, wat hij om persoonlijke redenen
afwees. Toen Thorbecke in 1862 de opdracht ontving om een kabinet te vormen overwoog hij aanvankelijk een samengaan van liberalen en antirevolutionairen. Mackay was daarbij de portefeuille van Financiën toegedacht. Dat plan is niet tot uitvoering gekomen, maar in hetzelfde
jaar werd de Raad van State gereorganiseerd en Mackay op voordracht van Thorbecke tot vicepresident benoemd. Hij heeft dit ambt vervuld tot zijn overlijden in 1876. Tweemaal kort achtereen is hij nog, zonder succes overigens, kabinetsformateur geweest, n.l, tijdens de crisis van 1868 na de val van het ministerie Heemskerk-Van Zuylen. Het vertrouwen, dat hij bij het Koninklijk Huis genoot, maakte hem bij uitstek geschikt om betrokken te worden bij de afwikkeling van de
nalatenschappen van koning Willem II en diens gemalin. Zeer in het bizonder werd hij
gewaardeerd door prinses Sophie, die hij ook nadat zij groothertogin van Saksen Weimar geworden was meermalen van advies diende.
Niet alleen in de politieke strijd getuigde Mackay van zijn beginselen, maar ook op andere gebieden. Zowel charitatief als theologisch-polemisch en organisatorisch is hij werkzaam geweest.
Zijn zorgvuldig bijgehouden dagboeken en zijn omvangrijke correspondentie met A.J. van Beeck
Calkoen, J.J.L. van der Brugghen, de Capadoses, A.W. Bronsveld, O.G. Heldring H.C. Voorhoeve en
vele anderen geven daar overvloedig blijk van. Met Groen van Prinsterer en P. Elout van Soeterwoude onderhield hij een intensief contact. Zij, die vóór Barthold Mackay het huis Ophemert hadden bezeten, hadden daarbij ook steeds de dagelijkse heerlijkheden van Ophemert en Zennewijnen gehad. Dat de heerlijke rechten afgeschaft waren zelfs al voordat zijn vader het
huis erfde heeft Aeneas er niet van weerhouden zich verantwoordelijk te voelen voor de gang van zaken in de beide dorpen. Uiteraard moest hij wonen in Den Haag, maar hij was gewoon een groot deel van zijn niet-ambtelijke tijd op het kasteel door te brengen en leefde ook wanneer hij niet
persoonlijk in hun midden kon zijn voortdurend met de dorpsbewoners mee. Het spreekt wel vanzelf, dat ook hierbij de kerkelijke aangelegenheden zijn speciale aandacht hadden.
Aeneas trouwde met Maria C.A.J. Fagel, een dochter van de diplomaat Jacob Fagel. Zij hebben tot tweemaal toe een kind op jeugdige leeftijd moeten missen. Hun eerste, Anna Agneta, stierf vier
maanden na de geboorte, hun derde, Johan Jacob als zeventienjarige, juist aan het begin van zijn opleiding op Willemsoord. Het moet voor de ouders een grote troost zijn geweest, dat de enige
overgeblevene van de drie zich ontwikkelde tot een briljante persoonlijkheid, die in bekwaamheid voor zijn vader niet onderdeed en hem in veelzijdigheid zelfs overtrof:
Donald Jacob Mackay, ovl. in 1876.
- Vader:
Barthold Johan Christiaan baron Mackay heer van Ophemert en Zennewijnen, zn. van Aeneas Mackay en Ursulina Philippina van Haeften, geb. te Tiel [ge] op 4 sep 1773, Directeur posterijen te Rotterdam, lid Raad aldaar, Iid Provinciale Staten van Zuid-Holland, ovl. (81 jaar oud) te Ophemert [ge] op 24 nov 1854, tr. (resp. 29 en 27 jaar oud) te Nijmegen [ge] op 28 dec 1802.
otr. in 1837 Huwelijkse Voorwaarden, tr. (Maria ongeveer 20 jaar oud) te 's-Gravenhage [zh] in 1837
met
Maria Catharina Anna Jacoba Fagel, dr. van Jacob Fagel en Jacoba Margaretha Maria Boreel van Hogelanden, geb. in 1817, ovl. (ongeveer 69 jaar oud) in 1886, begr. te Ophemert [ge].
Uit dit huwelijk een zoon:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Donald | | | | | | 0 | 0 |
>
Maria Catharina Anna Jacoba Fagel
Maria Catharina Anna Jacoba Fagel, geb. in 1817, ovl. (ongeveer 69 jaar oud) in 1886, begr. te Ophemert [ge].
- Vader:
Jacob Fagel, zn. van François Fagel en Anna Maria Boreel, geb. te 's-Gravenhage [zh] op 9 nov 1766, ovl. (68 jaar oud) te Genève [ch] op 24 apr 1835, tr. (resp. 48 en 21 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 31 aug 1815.
otr. in 1837 Huwelijkse Voorwaarden, tr. (ongeveer 20 jaar oud) te 's-Gravenhage [zh] in 1837
met
Aeneas Mackay van Ophemert Bartholds oudste zoon, Aeneas baron Mackay van Ophemert, die evenals zijn vader aktief aan het openbare leven heeft deelgenomen, was een tijdgenoot van Thorbecke en Groen van Prinsterer. Hij was niet van het formaat van deze twee, maar heeft toch als staatsman wel iets meer betekend dan de gangbare litteratuur over onze negentiende eeuw doet vermoeden. Zijn loopbaan begon hij, na te Utrecht volbrachte studie in de rechten, als advocaat in Den Haag. Hij onderbrak zijn
praktijk in 1831 om als tweede luitenant met de zuidhollandse schutterij uit te trekken tegen de Belgen. Belangrijker was, dat hij in 1835 werd verbonden aan het hof, eerst als kamer-heer van de prins en de prinses van Oranje tezamen, en na de troonsbestijging van Willem II in dezelfde funktie
bij koningin Anna Pawlowna alleen. Tot 1846 was hij kamerheer in gewone, sedertdien in buitengewone dienst. Daarnaast was hij van 1840 tot 1850 ambtenaar bij de Raad van State en
vanaf 1843 gecommitteerde van de regering bij de Maatschappij van Weldadigheid. In 1843 ook
werd hij beschreven in de ridderschap van Zuid-Holland; daardoor kreeg hij in 1846 zitting in de Provinciale Staten, en dat college koos hem in 1848 tot lid van de Tweede Kamer. Na de Kamerontbinding, die de consequentie was van de grote grondwetswijziging van dat jaar, werd Mackay weliswaar niet aanstonds herkozen. Gedurende de periode van 14 februari 18495
november 1850 bleef hij buiten de Kamer; hij nam toen zijn zetel in de Staten van Zuid-Holland weer in en werd daar al spoedig tot Gedeputeerde aangewezen. Maar na de invoering van de kieswet vaardigde Arnhem hem af en is hij voor dat district Kamerlid gebleven tot 1862. Hij
behoorde tot de Réveilkring en vertegenwoordigde in de Kamer de antirevolutionaire richting. Hoewel het aantal van zijn "politieke vrienden" toen in het parlement niet heel groot was werd er toch meer rekening met deze groep gehouden dan men wellicht geneigd is te denken. In 1859
werd hij aangezocht voor het gouverneurschap van Suriname, wat hij om persoonlijke redenen
afwees. Toen Thorbecke in 1862 de opdracht ontving om een kabinet te vormen overwoog hij aanvankelijk een samengaan van liberalen en antirevolutionairen. Mackay was daarbij de portefeuille van Financiën toegedacht. Dat plan is niet tot uitvoering gekomen, maar in hetzelfde
jaar werd de Raad van State gereorganiseerd en Mackay op voordracht van Thorbecke tot vicepresident benoemd. Hij heeft dit ambt vervuld tot zijn overlijden in 1876. Tweemaal kort achtereen is hij nog, zonder succes overigens, kabinetsformateur geweest, n.l, tijdens de crisis van 1868 na de val van het ministerie Heemskerk-Van Zuylen. Het vertrouwen, dat hij bij het Koninklijk Huis genoot, maakte hem bij uitstek geschikt om betrokken te worden bij de afwikkeling van de
nalatenschappen van koning Willem II en diens gemalin. Zeer in het bizonder werd hij
gewaardeerd door prinses Sophie, die hij ook nadat zij groothertogin van Saksen Weimar geworden was meermalen van advies diende.
Niet alleen in de politieke strijd getuigde Mackay van zijn beginselen, maar ook op andere gebieden. Zowel charitatief als theologisch-polemisch en organisatorisch is hij werkzaam geweest.
Zijn zorgvuldig bijgehouden dagboeken en zijn omvangrijke correspondentie met A.J. van Beeck
Calkoen, J.J.L. van der Brugghen, de Capadoses, A.W. Bronsveld, O.G. Heldring H.C. Voorhoeve en
vele anderen geven daar overvloedig blijk van. Met Groen van Prinsterer en P. Elout van Soeterwoude onderhield hij een intensief contact. Zij, die vóór Barthold Mackay het huis Ophemert hadden bezeten, hadden daarbij ook steeds de dagelijkse heerlijkheden van Ophemert en Zennewijnen gehad. Dat de heerlijke rechten afgeschaft waren zelfs al voordat zijn vader het
huis erfde heeft Aeneas er niet van weerhouden zich verantwoordelijk te voelen voor de gang van zaken in de beide dorpen. Uiteraard moest hij wonen in Den Haag, maar hij was gewoon een groot deel van zijn niet-ambtelijke tijd op het kasteel door te brengen en leefde ook wanneer hij niet
persoonlijk in hun midden kon zijn voortdurend met de dorpsbewoners mee. Het spreekt wel vanzelf, dat ook hierbij de kerkelijke aangelegenheden zijn speciale aandacht hadden.
Aeneas trouwde met Maria C.A.J. Fagel, een dochter van de diplomaat Jacob Fagel. Zij hebben tot tweemaal toe een kind op jeugdige leeftijd moeten missen. Hun eerste, Anna Agneta, stierf vier
maanden na de geboorte, hun derde, Johan Jacob als zeventienjarige, juist aan het begin van zijn opleiding op Willemsoord. Het moet voor de ouders een grote troost zijn geweest, dat de enige
overgeblevene van de drie zich ontwikkelde tot een briljante persoonlijkheid, die in bekwaamheid voor zijn vader niet onderdeed en hem in veelzijdigheid zelfs overtrof:
Donald Jacob Mackay, zn. van Barthold Johan Christiaan baron Mackay (Directeur posterijen te Rotterdam, lid Raad aldaar, Iid Provinciale Staten van Zuid-Holland) en Anna Magdalena Frederica Henriette van Renesse van Wilp, ovl. in 1876.
Uit dit huwelijk een zoon:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Donald | | | | | | 0 | 0 |
>
Donald Jacob Mackay van Ophemert
Donald Jacob Mackay van Ophemert Donald Jacob Mackay studeerde niet als zijn vader te Utrecht, maar te Leiden. Hij promoveerde bij
prof. I.E. Goudsmit in de rechten op een proefschrift over het bestuur van Daendels op Java. Enige tijd was hij attaché bij het nederlandse gezantschap te Londen en daarna kommies aan het
departement van Koloniën. Daartussendoor maakte hij in 1866 een reis door de Verenigde Staten. Al vroeg heeft hij grote belangstelling getoond voor sociaal-economische vraagstukken. Hij werd een aktief en op de voorgrond tredend lid van de Vereniging ter bevordering van
Fabrieksnijverheid in Nederland en heeft zich o.a. veel moeite gegeven voor het organiseren van de internationale nijverheidstentoonstelling, die in 1869 te Amsterdam werd gehouden. Na tijdens
de frans-duitse oorlog het Nederlandse Rode Kruis in Zwitserland vertegenwoordigd te hebben
ging hij in de politiek.
Deze Mackay schaarde zich onder de liberalen, wat niet wil zeggen, dat hij voor het overige de
protestants-christelijke traditie van zijn geslacht ontrouw werd. Zij die hem gekend hebben
verzekeren, dat hij zijn leven lang een strenggelovig man gebleven is. Maar bij de verkiezingen
voor de Tweede Kamer in 1871 stelde hij zich kandidaat tegenover een antirevolutionair. Mackay
werd gekozen en bleef lid van ons parlement tot 21 maart 1877. Hij heeft zich daar vooral met koloniale, sociale en onderwijszaken bezig gehouden. Men kan hem, in de verhoudingen van die
tijd, min of meer "links" noemen. Zo pleitte hij voor erkenning van het stakingsrecht en was hij ook
de man, die, naar het getuigenis van Van Houten zelf, het eigenlijke initiatief tot de wet op de
kinderarbeid heeft genomen.
Tot 1844 bleef Ophemert in het bezit van het geslacht (De Cocq) van Haeften. In dat jaar overleed de ongehuwde Anna Margriet barones van Haeften, vrouwe van Ophemert, Zennewijnen en Meerlo (1782-1844) die Ophemert uit erfenis van haar vader had verkregen. Zij liet het huis Ophemert na aan haar neef Barthold baron Mackay (1773-1854), die tevens haar raadsman was. De Schotse familie Mackay was verwant door het huwelijk in 1790 van Barthold de Cocq van Haeften (1755-1808) met Arnoldina Margaretha barones Mackay (1771-1849).
Huidige eigenaar en heer van Ophemert is sinds 2013 de Brit Aeneas Simon baron Mackay (1965), 15e baron Reay of Reay, zoon van Hugh William Mackay (1937-2013).
- Vader:
Aeneas Mackay van Ophemert Bartholds oudste zoon, Aeneas baron Mackay van Ophemert, die evenals zijn vader aktief aan het openbare leven heeft deelgenomen, was een tijdgenoot van Thorbecke en Groen van Prinsterer. Hij was niet van het formaat van deze twee, maar heeft toch als staatsman wel iets meer betekend dan de gangbare litteratuur over onze negentiende eeuw doet vermoeden. Zijn loopbaan begon hij, na te Utrecht volbrachte studie in de rechten, als advocaat in Den Haag. Hij onderbrak zijn
praktijk in 1831 om als tweede luitenant met de zuidhollandse schutterij uit te trekken tegen de Belgen. Belangrijker was, dat hij in 1835 werd verbonden aan het hof, eerst als kamer-heer van de prins en de prinses van Oranje tezamen, en na de troonsbestijging van Willem II in dezelfde funktie
bij koningin Anna Pawlowna alleen. Tot 1846 was hij kamerheer in gewone, sedertdien in buitengewone dienst. Daarnaast was hij van 1840 tot 1850 ambtenaar bij de Raad van State en
vanaf 1843 gecommitteerde van de regering bij de Maatschappij van Weldadigheid. In 1843 ook
werd hij beschreven in de ridderschap van Zuid-Holland; daardoor kreeg hij in 1846 zitting in de Provinciale Staten, en dat college koos hem in 1848 tot lid van de Tweede Kamer. Na de Kamerontbinding, die de consequentie was van de grote grondwetswijziging van dat jaar, werd Mackay weliswaar niet aanstonds herkozen. Gedurende de periode van 14 februari 18495
november 1850 bleef hij buiten de Kamer; hij nam toen zijn zetel in de Staten van Zuid-Holland weer in en werd daar al spoedig tot Gedeputeerde aangewezen. Maar na de invoering van de kieswet vaardigde Arnhem hem af en is hij voor dat district Kamerlid gebleven tot 1862. Hij
behoorde tot de Réveilkring en vertegenwoordigde in de Kamer de antirevolutionaire richting. Hoewel het aantal van zijn "politieke vrienden" toen in het parlement niet heel groot was werd er toch meer rekening met deze groep gehouden dan men wellicht geneigd is te denken. In 1859
werd hij aangezocht voor het gouverneurschap van Suriname, wat hij om persoonlijke redenen
afwees. Toen Thorbecke in 1862 de opdracht ontving om een kabinet te vormen overwoog hij aanvankelijk een samengaan van liberalen en antirevolutionairen. Mackay was daarbij de portefeuille van Financiën toegedacht. Dat plan is niet tot uitvoering gekomen, maar in hetzelfde
jaar werd de Raad van State gereorganiseerd en Mackay op voordracht van Thorbecke tot vicepresident benoemd. Hij heeft dit ambt vervuld tot zijn overlijden in 1876. Tweemaal kort achtereen is hij nog, zonder succes overigens, kabinetsformateur geweest, n.l, tijdens de crisis van 1868 na de val van het ministerie Heemskerk-Van Zuylen. Het vertrouwen, dat hij bij het Koninklijk Huis genoot, maakte hem bij uitstek geschikt om betrokken te worden bij de afwikkeling van de
nalatenschappen van koning Willem II en diens gemalin. Zeer in het bizonder werd hij
gewaardeerd door prinses Sophie, die hij ook nadat zij groothertogin van Saksen Weimar geworden was meermalen van advies diende.
Niet alleen in de politieke strijd getuigde Mackay van zijn beginselen, maar ook op andere gebieden. Zowel charitatief als theologisch-polemisch en organisatorisch is hij werkzaam geweest.
Zijn zorgvuldig bijgehouden dagboeken en zijn omvangrijke correspondentie met A.J. van Beeck
Calkoen, J.J.L. van der Brugghen, de Capadoses, A.W. Bronsveld, O.G. Heldring H.C. Voorhoeve en
vele anderen geven daar overvloedig blijk van. Met Groen van Prinsterer en P. Elout van Soeterwoude onderhield hij een intensief contact. Zij, die vóór Barthold Mackay het huis Ophemert hadden bezeten, hadden daarbij ook steeds de dagelijkse heerlijkheden van Ophemert en Zennewijnen gehad. Dat de heerlijke rechten afgeschaft waren zelfs al voordat zijn vader het
huis erfde heeft Aeneas er niet van weerhouden zich verantwoordelijk te voelen voor de gang van zaken in de beide dorpen. Uiteraard moest hij wonen in Den Haag, maar hij was gewoon een groot deel van zijn niet-ambtelijke tijd op het kasteel door te brengen en leefde ook wanneer hij niet
persoonlijk in hun midden kon zijn voortdurend met de dorpsbewoners mee. Het spreekt wel vanzelf, dat ook hierbij de kerkelijke aangelegenheden zijn speciale aandacht hadden.
Aeneas trouwde met Maria C.A.J. Fagel, een dochter van de diplomaat Jacob Fagel. Zij hebben tot tweemaal toe een kind op jeugdige leeftijd moeten missen. Hun eerste, Anna Agneta, stierf vier
maanden na de geboorte, hun derde, Johan Jacob als zeventienjarige, juist aan het begin van zijn opleiding op Willemsoord. Het moet voor de ouders een grote troost zijn geweest, dat de enige
overgeblevene van de drie zich ontwikkelde tot een briljante persoonlijkheid, die in bekwaamheid voor zijn vader niet onderdeed en hem in veelzijdigheid zelfs overtrof:
Donald Jacob Mackay, zn. van Barthold Johan Christiaan baron Mackay (Directeur posterijen te Rotterdam, lid Raad aldaar, Iid Provinciale Staten van Zuid-Holland) en Anna Magdalena Frederica Henriette van Renesse van Wilp, ovl. in 1876, otr. in 1837 Huwelijkse Voorwaarden, tr. (Maria ongeveer 20 jaar oud) te 's-Gravenhage [zh] in 1837.
>
Tammerus Canter Visscher
Tammerus Canter Visscher, geb. te Bolsward [fr] circa 1793.
- Vader:
Tammerus Canter Visscher hoofdfuncties en beroepen
advocaat, vanaf 5 oktober 1784
secretaris van Bolsward, vanaf 5 oktober 1784
lid Constituerende Vergadering, van 15 februari 1798 tot 4 mei 1798
lid Eerste Kamer, Vertegenwoordigend Lichaam, van 4 mei 1798 tot 12 juni 1798
lid Intermediair Wetgevend Lichaam, van 13 juni 1798 tot 31 juli 1798
notaris te Bolsward, van 1809 tot 1811
ontvanger rijksbelastingen te Bolsward
notaris te Bolsward, van 1815 tot 1822, zn. van Tammerus Canter Visscher en Carolina Susanna Simons, geb. te Negapatnam op 9 jan 1763, ovl. (67 jaar oud) te Bolsward [fr] op 16 apr 1830, tr. (2) met Siennetje Oietersd. Hesseling. Uit dit huwelijk 4 kinderen, tr. (26 jaar oud) (1) te Wonseradeel [fr] op 18 jan 1789.
tr. (resp. ongeveer 21 en ongeveer 20 jaar oud) te Bolsward [fr] op 21 mei 1815
met
Anke Abels Lantinga, dr. van Abel Tjeerds Lantinga en Dieuwke Ruurds Piekema, geb. te Bolsward [fr] circa 1794.
Uit dit huwelijk een zoon:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Tammerus | *1830 | Bolsward [fr] | | | | 1 | 1 |
>
Anke Lantinga
Anke Abels Lantinga, geb. te Bolsward [fr] circa 1794.
- Vader:
Abel Tjeerds Lantinga, geb. in 1759, ovl. (ongeveer 67 jaar oud) in 1826, tr. (resp. ongeveer 26 en ongeveer 22 jaar oud) te Bolsward [fr] in 1785.
tr. (resp. ongeveer 20 en ongeveer 21 jaar oud) te Bolsward [fr] op 21 mei 1815
met
Tammerus Canter Visscher, zn. van Tammerus Canter Visscher en Klaaske Pieters Hesseling, geb. te Bolsward [fr] circa 1793.
Uit dit huwelijk een zoon:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Tammerus | *1830 | Bolsward [fr] | | | | 1 | 1 |
>
Margaretha Puchler
Margaretha Puchler Kort tevoren, op 29 januari 1692, was hij getrouwd en wel in de kring van zijn beroep: Margaretha Puchler was een dochter van de garnizoenscommandant van Tiel, François Puchler, wiens vader Eustachius Puchler eveneens officier in dienst van de Republiek was geweest. Het geslacht Puchler
is uit Tirol of Stiermarken afkomstig, geb. in 1671, ovl. (ongeveer 90 jaar oud) vermoedelijk te Tiel [ge] in 1761.
tr. (resp. ongeveer 21 en ongeveer 26 jaar oud) in 1692 huwelijkse voorwaarden
met
Aeneas Mackay John Mackay trouwde tweemaal. Uit zijn tweede huwelijk, met zijn achternicht Barbara Mackay of Scoury, had hij o.a. drie zoons, van wie de oudste, Donald, de vader werd van George, derde lord
Reay. Van de tweede, Aeneas, stamt de tak af, die nu nog in Nederland voortbestaat. Deze Aeneas ging op vijftienjarige leeftijd naar de Republiek om daar door zijn neef Hugh Mackay of Scoury over
wie nader in paragraaf II -te worden opgeleid tot officier.
Sinds 1573 maakten schotse troepen deel uit van het leger van de Staten-Generaal en van 1628 tot 1782 waren hier te lande steeds drie regimenten, die tezamen bekend zijn gebleven als de schotse
brigade. De hoofdofficieren van dat corps behoorden merendeels tot vooraanstaande schotse
families. Velen trouwden met nederlandse vrouwen en werden zo in onze samenleving opgenomen, maar zij bewaarden daarbij toch wel de relaties met hun land van herkomst; zij
bleven trouwens door een eed aan de koning van Groot-Brittannië verbonden. Het was niet ongewoon, dat uit één en dezelfde familie verscheidene officieren voor de brigade voortkwamen, soms generaties achtereen. Dit was ook bij de Mackays het geval.
Aeneas werd op 28 november 1684 kapitein in het regiment, waarover zijn neef het bevel voerde. In 1688 riep Jacobus II uit vrees voor de plannen van zijn schoonzoon Willem III de brigade terug. De overgrote meerderheid van de officieren, waaronder Hugh en Aeneas Mackay, stond echter aan
de kant van de prins van Oranje en weigerde aan de oproep gevolg te geven. Een bezoek, dat Aeneas in dat jaar aan zijn zuster in Schotland bracht, werd -te recht of ten onrechte -aanleiding om hem ervan te verdenken, dat hij een geheime opdracht van de stadhouder had; hij werd
gevangen genomen en kon prins Willems invasie niet meemaken. Wel nam hij naderhand o.m. deel aan de veldslagen bij Killiecrankie (27 juli 1689), Cromdale (april 1690) en Athlone (2 juli 1691).
Toen zijn neef gesneuveld was in augustus 1692 volgde hij hem op als commandant van zijn regiment. Kort tevoren, op 29 januari 1692, was hij getrouwd en wel in de kring van zijn beroep: Margaretha
Puchler was een dochter van de garnizoenscommandant van Tiel, François Puchler, wiens vader Eustachius Puchler eveneens officier in dienst van de Republiek was geweest. Het geslacht Puchler
is uit Tirol of Stiermarken afkomstig. Bij de verovering van Namen op 1 september 1695 werd Aeneas, die inmiddels tot brigadegeneraal
was benoemd, zo ernstig gewond, dat hij zijn militaire loopbaan moest afbreken. Te
Bath, waar hij herstel van gezondheid zocht, is hij in 1697 gestorven. Zijn weduwe bleef te Tiel wonen, geb. in 1666, ovl. (ongeveer 31 jaar oud) te Bath [Verenigd Koninkrijk] in 1697.
Uit dit huwelijk een zoon:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Daniël | *1696 | | †1745 | Doornik | 48 | 1 | 2 |
>
Jacoba Alexandrina Helena Beate van Heeckeren
Jacoba Alexandrina Helena Beate van Heeckeren, geb. te Arnhem [ge] op 12 feb 1763, ovl. (55 jaar oud) te Zutphen [ge] op 7 dec 1818.
tr. (resp. 45 en ongeveer 38 jaar oud) te Zutphen [ge] op 6 jun 1808
met
Cornelis Anne Mackay Cornelis Anne, Aeneas' vierde zoon, schijnt zich aanvankelijk ook voorgesteld te hebben een carrière bij het landleger te maken. In 1784 vinden we hem als kadet bij het regiment Houstoun. Merkwaardig genoeg, want, zoals we al gezien hebben, bestond de schotse brigade als afzonderlijk corps in feite toen al niet meer. Voor een aanhanger van de stadhouder lag het voor de hand naar de marine over te gaan. In 1799 werd de luitenant ter zee Mackay geplaatst op een
van de schepen, waarvan de bemanning bij de Vlieter niet onder de patriotse admiraal Story had willen vechten, toen de Engelsen de vloot hadden opgeëist. In 1800 kreeg hij een aanstelling als kapitein-luitenant ter zee en bevel van Willem V vanuit Londen om in die kwaliteit te dienen op
het schip Ambassade. In 1814 is hij uit de zeedienst gegaan; vervolgens was hij onder meer
kantonrechter en wethouder te Zutphen en lid van de Provinciale Staten van Gelderland. Hij is tweemaal getrouwd geweest, eerst met Jacoba Alexandrina Helena Beata van Heeckeren en, na
haar overlijden, met Sophia Constantia van der Muelen. In 1841 is hij kinderloos gestorven, zn. van Aeneas Mackay en Ursulina Philippina van Haeften, geb. in 1769, ovl. (ongeveer 71 jaar oud) te Zutphen [ge] op 10 mei 1841, tr. (2) met Sophia Constantia van der Muelen. Uit dit huwelijk geen kinderen.
>
Sophia Constantia van der Muelen
Sophia Constantia van der Muelen, geb. te Zutphen [ge] op 23 mrt 1783, ovl. (73 jaar oud) te Zutphen [ge] op 6 mei 1856.
tr. (resp. 39 en ongeveer 53 jaar oud) te Gorssel [ge] op 7 nov 1822
met
Cornelis Anne Mackay Cornelis Anne, Aeneas' vierde zoon, schijnt zich aanvankelijk ook voorgesteld te hebben een carrière bij het landleger te maken. In 1784 vinden we hem als kadet bij het regiment Houstoun. Merkwaardig genoeg, want, zoals we al gezien hebben, bestond de schotse brigade als afzonderlijk corps in feite toen al niet meer. Voor een aanhanger van de stadhouder lag het voor de hand naar de marine over te gaan. In 1799 werd de luitenant ter zee Mackay geplaatst op een
van de schepen, waarvan de bemanning bij de Vlieter niet onder de patriotse admiraal Story had willen vechten, toen de Engelsen de vloot hadden opgeëist. In 1800 kreeg hij een aanstelling als kapitein-luitenant ter zee en bevel van Willem V vanuit Londen om in die kwaliteit te dienen op
het schip Ambassade. In 1814 is hij uit de zeedienst gegaan; vervolgens was hij onder meer
kantonrechter en wethouder te Zutphen en lid van de Provinciale Staten van Gelderland. Hij is tweemaal getrouwd geweest, eerst met Jacoba Alexandrina Helena Beata van Heeckeren en, na
haar overlijden, met Sophia Constantia van der Muelen. In 1841 is hij kinderloos gestorven, zn. van Aeneas Mackay en Ursulina Philippina van Haeften, geb. in 1769, ovl. (ongeveer 71 jaar oud) te Zutphen [ge] op 10 mei 1841, tr. (1) met Jacoba Alexandrina Helena Beate van Heeckeren, dr. van Jacob Adolph van Heeckeren en Charlotte Alexandrine van Westerholt. Uit dit huwelijk geen kinderen.
>
Arnolda Margaretha Mackay
Arnolda Margaretha Mackay, geb. te Tiel [ge] op 13 nov 1771, ovl. (77 jaar oud) te Blitterswijck [li] op 3 apr 1849.
- Vader:
Aeneas Mackay Kolonel le regt. Schotsche Brigade in dienst der Staten-Generaal Aeneas diende in het regiment van zijn vader, dat na diens dood achtereenvolgens
gecommandeerd werd door Alexander Marjoribanks (tot december 1773), Hugh Mackay (tot
januari 1775) en John Houstoun. Toen de brigade werd ontbonden was hij sedert twee en een half
jaar luitenant-kolonel. Met zijn zoons vertrok hij in 1783 naar Schotland, maar keerde na het
sluiten van de vrede terug en vestigde zich in Nijmegen. Hij is nog tot kolonel bevorderd, heeft echter niet meer aktief als zodanig gediend en ook geen burgerlijke funkties van belang bekleed. Hij was trouwens een welgesteld man; de familie had sedert de vestiging in de Republiek een grote hoeveelheid landerijen in het kwartier van Nijmegen verworven. Het oude en al vroeg aanzienlijke geslacht, waaruit zijn echtgenote, Ursulina Philippina van Haeften stamde, zal in de volgende paragraaf uitvoerig ter sprake komen, zn. van Daniël Mackay en Arnolda Margaretha van den Steen, geb. te 's-Hertogenbosch [nb] op 26 aug 1734, ovl. (ongeveer 72 jaar oud) te Nijmegen [ge] in 1807, begr. te Nijmegen [ge] op 15 jul 1807, tr. (beiden 28 jaar oud) te Nijmegen [ge] op 14 jun 1763.
tr. (resp. 18 en 35 jaar oud) te Nijmegen [ge] op 29 mrt 1790
met
Barthold van Cock van Haeften, zn. van Jan Walraven de Cock van Haeften en Anna Theodora Ursullina van Lynden, geb. te Arnhem [ge] op 19 jan 1755, ovl. (53 jaar oud) te Blitterswijck [li] op 20 okt 1808.
Uit dit huwelijk een kind.
>
Barthold van Cock van Haeften
Barthold van Cock van Haeften, geb. te Arnhem [ge] op 19 jan 1755, ovl. (53 jaar oud) te Blitterswijck [li] op 20 okt 1808.
tr. (resp. 35 en 18 jaar oud) te Nijmegen [ge] op 29 mrt 1790
met
Arnolda Margaretha Mackay, dr. van Aeneas Mackay en Ursulina Philippina van Haeften, geb. te Tiel [ge] op 13 nov 1771, ovl. (77 jaar oud) te Blitterswijck [li] op 3 apr 1849.
Uit dit huwelijk een kind.
>
Anna Theodora Ursullina van Lynden
Anna Theodora Ursullina (Anna Ursulina) van Lynden, geb. op 1 sep 1728, ovl. (26 jaar oud) te Arnhem [ge], begr. te Ophemert [ge] op 2 mrt 1755.
tr. (resp. 21 en 27 jaar oud) te Arnhem [ge] op 13 mrt 1750
met
Jan Walraven (Johan Walraven) de Cock van Haeften (van Haeften), zn. van Bathold van Cock van Gameren Heer van Ophemert (Dijkgraaf van de Tielerwaard) en Margriet van Lynden, geb. te Nijmegen [ge] op 6 dec 1722, ovl. (59 jaar oud) te Wadenoijen [ge], begr. te Ophemert [ge] op 2 dec 1782.
Uit dit huwelijk een zoon:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Barthold | *1755 | Arnhem [ge] | †1808 | Blitterswijck [li] | 53 | 1 | 1 |
>
Jan Walraven de Cock van Haeften
Jan Walraven (Johan Walraven) de Cock van Haeften (van Haeften), geb. te Nijmegen [ge] op 6 dec 1722, ovl. (59 jaar oud) te Wadenoijen [ge], begr. te Ophemert [ge] op 2 dec 1782.
tr. (resp. 27 en 21 jaar oud) te Arnhem [ge] op 13 mrt 1750
met
Anna Theodora Ursullina (Anna Ursulina) van Lynden, dr. van Frans Godard van Lynden en Constantia Isabella van der Muelen, geb. op 1 sep 1728, ovl. (26 jaar oud) te Arnhem [ge], begr. te Ophemert [ge] op 2 mrt 1755.
Uit dit huwelijk een zoon:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Barthold | *1755 | Arnhem [ge] | †1808 | Blitterswijck [li] | 53 | 1 | 1 |
>
Jan Carel van der Muelen
Jan Carel van der Muelen heer van Maarssenbroek, geb. te Utrecht [ut] op 7 sep 1740, lid van de vroedschap van Utrecht, ovl. (70 jaar oud) te Driebergen [ut] op 18 feb 1811.
tr. (resp. 42 en ongeveer 36 jaar oud) te Utrecht [ut] op 29 dec 1782
met
Hillegonda Susanna de Maleprade, dr. van Jacques Elie de Maleprade en Hendrina Visscher, geb. in 1746, ovl. (ongeveer 68 jaar oud) in 1814.
Uit dit huwelijk een dochter:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Maria | *1785 | | †1855 | Driebergen [ut] | 69 | 1 | 1 |
>
Hillegonda Susanna de Maleprade
Hillegonda Susanna de Maleprade, geb. in 1746, ovl. (ongeveer 68 jaar oud) in 1814.
tr. (resp. ongeveer 36 en 42 jaar oud) te Utrecht [ut] op 29 dec 1782
met
Jan Carel van der Muelen heer van Maarssenbroek, zn. van Joseph Elias van der Muelen en Maria de Malapert, geb. te Utrecht [ut] op 7 sep 1740, lid van de vroedschap van Utrecht, ovl. (70 jaar oud) te Driebergen [ut] op 18 feb 1811.
Uit dit huwelijk een dochter:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Maria | *1785 | | †1855 | Driebergen [ut] | 69 | 1 | 1 |
>
Cornelis Dommer
Cornelis Willemszn. Dommer Cornelis Dommer was the son of Willem Ysbrantsz. Dommer. Both father and son (who was only about 11 years old), living on the Rockin in the Hooge Huijs, bought lots in the Haarlem lottery of 1606 (95/18 f 715). On 8 November 1619, Cornelis Dommer, 23, assisted by his mother Neeltje Henricksdr, living on the Rockin, was betrothed to Maritje Pieters Noorman, 29, assisted by her godmother Teuntje Jans Normans, living in de Houttuynen. She signs Norms (DTB 668/287). Cornelis Willemsz. Dommer was a lumber dealer (houtcoper). In 1631, he contributed 1000 f. to a joint project for setting up sawing mills in the country side around Amsterdam. A few months later, he invested 2000 f. in the project (Van Dillen, Bronnen tot de geschiedenis van het bedrijfsleven R.G.P. 78(1933), pp. 696 and 722). In 1631, he was taxed 25 f, at which time he lived on the North side of the Meulensteech (Kohier, fol. 57 vo, page 14). The house named de Croon van Polen was indeed located on the Singel, near the Corsgenpoort (Elias, Vroedschap, p. 214.) On 24 November 1634, Symon van Alckemade, 49, Leendert Cornelisz. Rave, 52, and Cornelis Dommer, 39, all merchants, made a declaration at the request of Claes van Marcken (a lumber dealer who contributed 1,000 f. to the setting up of sawing mills in 1630) concerning the conditions under which passports given to travel to Antwerp were given (NA 694B, film 4980, p. 906, Not. J. Warnaerts). In February 1645, Cornelis Dommer signed a petition with many other Amsterdam merchants calling for the strict enforcement of the currency regulations of 1622 (Van Dillen, Wisselbanken, R.G.P. 59(1925), p. 90). Cornelis Dommer was buried in the N.K. on 3 November 1653 (DTB 1055/27), geb. in 1599, begr. te Amsterdam [nl] in de Nieuwe Kerk op 3 nov 1653 DTB 1055/27.
otr. (ongeveer 20 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 8 nov 1619 (getuige: assisted by his mother Neeltje Henricksdr, living on the Rockin, betrothed to Maritje Pieters Noorman, 29, assisted by her godmother Teuntje Jans Normans, living in de Houttuynen), tr.
met
Maritje Pieters Noorman, dr. van N.N. Noorman en N.N. .
>