Website van Leo HENDRIKS
Maria Elisabeth Vermeulen
Maria Elisabeth Vermeulen, ged. op 17 jan 1788, ovl. (ongeveer 77 jaar oud) te Utrecht [ut] op 28 jun 1865.

tr. (resp. ongeveer 23 en 28 jaar oud) te 's-Hertogenbosch [nb] op 4 mei 1811
met

Antonius Josephus Lambertus Borret, zn. van Theodorus Antonius Franciscus Borret (schout van Stad en Landen van Ravenstein en rentmeester van de Duitse Orde) en Maria Patronella Aerdts, geb. te Gemert [nb] op 12 aug 1782, lid GS van Noord-Brabant, lid RvSt, en gouverneur van Noord-Brabant en tenslotte staatsraad i.b.d, ovl. (76 jaar oud) te Delft [zh] op 7 sep 1858.

Antonius Josephus Lambertus Borret.
ntonius Borret (1782-1858).
bestuurder.
Mr. Antonius Josephus Lambertus Borret werd geboren te Gemert op 12 augustus 1782, als enige zoon van de landschout van Ravenstein en rentmeester van de commanderij van Gemert, mr. Theodorus A.F. Borret, en van Maria P. Aerdts. Hij huwde in 1811 te 's-Hertogenbosch met Maria Elisabeth Vermeulen, aldaar geboren op 17 januari 1788 als dochter van de Bossche onderprefect H.F. Vermeulen. Antonius Borret overleed te Delft op 7 september 1858.
Het katholieke geslacht Borret was afkomstig uit Tilleur bij Luik. In de zeventiende eeuw vestigde Hubertus Borret zich als wijnkoper en bankier in Dordrecht. Zijn kleinzoon, eveneens Hubertus geheten, de grootvader van Antonius, kreeg rond 1740 banden met Brabant door zijn huwelijk met de dochter van de jurist mr. A.J. van der Gheest en door zijn ambt als keurvorstelijk rentmeester in Ravenstein. Het was in de Republiek der Verenigde Nederlanden voor een katholiek onmogelijk om een publiek ambt te bekleden. De opgang naar een bestuurlijke functie was derhalve voor de katholieke elite slechts mogelijk in die streken die niet tot de Republiek behoorden. In Oost-Brabant waren dat de gebieden rond Bokhoven, Megen, Ravenstein, Gemert, Boxmeer en Oeffelt. Hier konden katholieken zich bekwamen in het openbare bestuurswerk. Toen na de komst van de Fransen in 1795 aan de achterstelling van de katholieken een einde kwam, konden de uit deze streken afkomstige families - Van Sasse van Ysselt, Van de Mortel, De la Court, Verheijen - gemakkelijk de weg vinden naar de Brabantse rechterlijke macht, de politiek en het bestuur.
Ook voor de jonge Borret lag na de voltooiing van zijn juridische studie in Keulen en Utrecht in 1803 de weg naar een maatschappelijke carrière open. Hij begon zijn loopbaan bij de rechtbank in 's-Hertogenbosch, maar al spoedig, onder de katholieke koning Lodewijk Napoleon, maakte hij de overstap naar het bestuur en werd hij divisiechef bij het Haagse departement van justitie en politie. Onder Willem I keerde hij terug naar Brabant, en wel als lid van Gedeputeerde Staten, die vanaf 1814 onder voorzitterschap van gouverneur Hultman stonden.
Het was voor vele Brabanders een ergernis dat hun provincie geen geboren Brabander, maar een 'vreemdeling' tot gouverneur had gekregen. Met name de katholieke elite was zeer gevoelig voor elke zweem van bevoordeling van protestanten. Ook Borret keerde zich tegen de achterstelling van katholieken bij benoemingen. Toen gouverneur Hultman in 1819 dementeerde, trachtten de gedeputeerden bij de koning gedaan te krijgen dat aan het hoofd van de provincie nu een Noordbrabander zou komen. Het gerucht, dat zij in feite hun primus inter pares Borret hiervoor op het oog hadden, is tekenend voor diens grote invloed.
Een andere doorn in het oog van de Brabantse elite was het ontbreken van een Brabander in de invloedrijke Raad van State. Al vanaf 1818 werd voor deze felbegeerde functie de naam van Borret genoemd. Pas in augustus 1821 volgde de daadwerkelijke benoeming, onmiddellijk na felle Kamerdebatten over een nieuw belastingstelsel, met herinvoering van oude belastingen die in Noord-Brabant vele ressentimenten opriepen. Borret heeft bij deze kwestie een bemiddelende rol gespeeld en heeft getracht een aarzelende Brabander, het kamerlid A.J.J.H. Verheijen, over de streep te trekken. Dat niet alleen zijn geweten, maar ook het Brabantse belang, en wellicht zelfs eigenbelang hierbij een rol gespeeld heeft, werd vermoed door Borrets concurrenten voor de plaats in de Raad van State, met name die welke afkomstig waren uit de Westbrabantse elite. Dezen vreesden als altijd een overwicht van de 'Bosschenaren'. Dat niettemin Borrets benoeming alom met instemming werd begroet, getuigt van waardering voor zijn kwaliteiten.
Hiermee verdween Borret voor een periode van meer dan twintig jaren uit 's-Hertogenbosch. Als Staatsraad, bovendien goed bevriend met de Oranje-vorsten, werd hij belast met vele belangrijke opdrachten. Een benoeming tot commissaris voor Oost-Indië wees hij af. In 1839 werd hij tezamen met P. Gericke commissaris voor de wederinbezitneming van de provincie Limburg, voorheen in Belgische handen. Het jaar daarop kreeg hij een vertrouwelijke opdracht in Brussel, waar hij de particuliere financiële belangen van de koninklijke familie moest behartigen.
In de zomer van 1840 was voor het eerst sprake van een gouverneurspost voor Borret, en wel in Maastricht. Collega Gericke zou dan in 's-Hertogenbosch komen, in de plaats van de zittende gouverneur, Van den Bogaerde van Terbrugge. Diens positie werd na 1841 onhoudbaar na een slepende ruzie met gedeputeerde H. de Wijs. Minister Schimmelpennick vond Van den Bogaerde niet meer passen in het moderne staatsbestel. Maar op 20 april 1842 werd Borret zijn opvolger. Deze benoeming werd met gejuich begroet. Voor het eerst sinds 1810, sinds het bewind van De la Court, kreeg het gouvernementspaleis in 's-Hertogenbosch weer een Brabantse bewoner. Borret bleef veertien jaar gouverneur, ook al was meerdere malen sprake van een andere functie. Nog in 1842 viel zijn naam bij de opvolging van de minister van Justitie C. van Maanen en in 1845 werd hij genoemd voor de post van ambassadeur, mogelijk in Brussel.
Als hoogste bestuurder was hij buitengewoon populair in Noord-Brabant. Zijn vriendenkring beperkte zich niet tot de katholieke elite uit Oost-Brabant. Tot zijn intimi behoorden ook protestanten, zoals de Helmondse kasteelheer en districtscommissaris C.F. Wesselman. Aan hun vriendschap danken wij een omvangrijke en waardevolle briefwisseling. In totaal zijn 135 brieven van Borret aan Wesselman bewaard gebleven, de meeste uit de periode 1843-1846. Behalve over persoonlijke problemen schreef Borret hierin ook openhartig over zijn bekommernissen in zijn functie van gouverneur: over de materiële achterstand, de grote armoede, de problemen met de burgemeestersbenoemingen en ook over het veranderende politieke klimaat in Nederland.
Borret was koningsgezind en conservatief en had de grootste moeite met het veldwinnende liberalisme onder de Brabantse 'papo-Thorbeckeanen' en met de nieuwe richtlijnen en principes die de liberale regering hem na 1848 voorschreef. Hij ergerde zich aan het uiterlijk vertoon rond het gouverneursambt, maar nog meer aan de liberale inzichten waarmee de nieuwe generatie politici goede sier trachtte te maken. Hij voelde zich door de regering aan de dijk gezet, als een oude kneuter of een oude slaapmuts, zoals hij zichzelf meerdere malen schertsend noemde tegenover zijn generatiegenoot Wesselman. Beiden beschouwden zich als 'oude practische bazen' uit een grijs verleden, toen bestuurders nog veel goeds konden verrichten, zonder al te veel beknibbeling of bemoeizucht van buitenaf.
Borret vreesde in 1845 en 1846 dat de gevolgen van de aardappelziekte, die de Brabantse boeren hard trof, zou leiden tot een sociale chaos. Elk jaar zag hij de ontbinding van de maatschappij naderen, maar het duurde tot 1848, voordat het in Brabant werkelijk tot ongeregeldheden kwam. In Peelland en in de Meierij brak een oproer uit, gericht tegen het inzamelen van de tiendbelastingen. Het graan werd ongetiend geoogst, tiendschoven werden gestolen, schuren in brand geschoten en tiendpachters bedreigd. Borret moest militaire assistentie vragen. Pas na de stationering van militairen keerde de rust in Oost-Brabant terug, ook al zag het er aan de vooravond van de oogst van 1849 opnieuw dreigend uit.
In 1850 kreeg de functie van Borret de nieuwe naam 'commissaris des konings'. Hij mocht nog minder dan voorheen gouverneren, nog minder welwillend besturen, maar slechts de uitvoerder zijn van de geest van de nieuwe tijd. Toch bleef Borret nog tot 1856 in functie, terwijl de regering-Thorbecke in de jaren 1850-1852 maar liefst vier conservatieve commissarissen ontsloeg, soms onder zeer geruchtmakende omstandigheden. Waarom heeft Thorbecke de oude anti-liberaal in 's-Hertogenbosch gehandhaafd? Een kwestie van persoonlijke sympathie? Of durfde hij zijn ontslag niet aan? Waarschijnlijk waagde Thorbecke het niet de onmisbare steun van de Brabantse katholieken op het spel te zetten. Borret moest eerder smeken om zijn ontslag. Pas op 73-jarige leeftijd en na herhaald verzoek, kreeg hij de gelegenheid van het politieke toneel terug te treden. Tegelijk was in 1856 ook een vacature ontstaan in de Eerste Kamer. Borret gaf de Brabantse Statenleden te verstaan een verkiezing in geen geval te zullen aannemen. Toch meenden nog 25 leden van Provinciale Staten hun commissaris te weinig eer aan te doen indien zij hun stem aan een ander zouden verlenen.
Borret vond rust in de nabijheid van zijn familie. Hij overleed in 1858 in Delft, de woonplaats van zijn dochter Maria A.H. van der Kun-Borret. Zijn oudste zoon, mgr. Theodore Borret, was hoogleraar te Warmond en zijn tweede zoon Eduardus werd Staatsraad en minister van Justitie.
Bronnen.
• A.F.J. van Kempen, Gouvernement tussen Kroon en Statenfacties. De positie van vier gouverneurs in het politieke krachtenveld van Noord-Brabant 1813-1830, Tilburg 1988.
• A.F.J. van Kempen, 'Mr A.J.L. Borret (1782-1858) en J.E.P.E. Gericke (1785-1845), commissarissen voor de wederinbezitneming, 1839-1840', in: J.M.H. Wieland (red.), De gouverneurs in de beide Limburgen 1815-1989, Maastricht 1989.
• A.F.J. van Kempen, 'Een vervagend vooruitzicht op de weg naar vooruitgang', De Vlasbloem 8 (1987) 41-67.
• A.F.J. van Kempen, 'De voet in de stijgbeugel', De Vlasbloem 7 (1986) 127-146,.
• W.J.F. Nuyens, Geschiedenis van het Nederlandsche volk van 1815 tot op onze dagen, 1883-1886 2, z.p. 1883-1886, deel 2, 220.
Dit artikel verscheen eerder in: J. van Oudheusden e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 4 (Uitgeverij Boom en Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, Amsterdam/Meppel 1996).
Auteur: A.F.J. van Kempen.

Uit dit huwelijk 5 kinderen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Maria*1814 's-Hertogenbosch [nb] †1877 Bergen [nh] 6310 
Eduard*1816 's-Hertogenbosch [nb]    
Ferdinand*1819 's-Hertogenbosch [nb] †1900 Klundert [nb] 81
Josephus*1820 's-Gravenhage [zh] †1909  88
Bernardus*1826 Brussel [België] †1886 Antwerpen [b, België] 59


Hubertus Borret
Hubertus Borret "Die handel in mee of meekrap [rode verfstof] werd [sedert het einde van de 18e eeuw] uitgeoefend in het pand Kuipershaven 41/42, dat de toepasselijke naam "Het Meevat" draagt. Ter plaatse werd in 1699 door Hubert [Huijbert] Borret een viertal huisjes en kelders gekocht en vervangen door het thans nog bestaande pand. . [In de natuurstenen onderpui bevindt zich een poortje met bovenlicht van smeedijzer, in het midden waarvan een vat is uitgebeeld, oorspronkelijk een spijkervat, later rood geverfd en voorstellende een meevat.] De stichter, Hubert Borret, was een aanzienlijk Luiks koopman, die zich in 1682 als grossier te Dordrecht vestigde. Hij was rooms-katholiek en zijn vestiging hier ter stede stond in verband met de soepele houding der stadsregering tegenover de katholieken sedert 1672. Hubert Borret, vurig katholiek als hij was, is de grondlegger van de rooms-katholieke kerk in Dordrecht geweest. In 1711 deed het schisma in Dordrecht zijn intrede en beide kerken op de Hoge Nieuwstraat en de Voorstraat (het Kruis) bleven eigendom van de oud-katholieken. Hubert Borret stelde alles in het werk om hier een katholiek geestelijke te krijgen en een kerk te stichten. . [Reeds in 1707 werd er een rooms-katholieke] godsdienstoefening gehouden en wel in het huis het Meevat, het fraaie woonhuis van Borret. Uit het kerkelijk register blijkt dat de eerste doopsels en vormsels in de woning van Borret door priesters van buiten werden verricht. Met recht mag men daarom "het Meevat" op de hoek van de Schrijversstraat als de bakermat van katholiek Dordrecht beschouwen. Later werd een ander pakhuis van Borret, eveneens op de Kuipershaven [links van de voormalige pastorie, nu Boumanhuis (verslavingszorg, Kuipershaven 40), welk gebouw dateert van 1903 en aan de linkerzijde staat van "het Meevat"], ook als kerk gebruikt. . In 1717 gelukte het aan Borret om een eigen priester, Leonardus Vinquedes, te krijgen en nadien begint de groei van het aantal katholieken in Dordrecht. Bij zijn dood, in 1730, kon Borret met voldoening op zijn arbeid terugzien. . In de jaren 1737 tot 1739 ging men tot de bouw van een kerk over. Door een gift van f. 2500, - van mevrouw Oem was men in staat twee pakhuizen te kopen en op die plaats een nieuwe kerk te bouwen." (C.J.P. Lips, Wandelingen door Oud-Dordrecht [Zaltbommel 1974], p. 236-237), geb. circa dec 1655, ovl. (ongeveer 74 jaar oud) te Dordrecht [zh] op 19 jun 1730, begr. begraven in de Grote Kerk van Dordrecht met zijn vrouw en zoon Huijbert.

tr. (resp. ongeveer 25 en ongeveer 19 jaar oud) (1) te Liège op 12 jan 1681
met

Anna Walthery, ged. te Liège op 28 jan 1661, ovl. (ongeveer 43 jaar oud) te Dordrecht [zh] op 1 sep 1704, begr. te Dordrecht [zh] in de Grote Kerk.

Uit dit huwelijk 4 kinderen, waaronder:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Jacques~1703 Dordrecht [zh] †1768 Antwerpen [b, België] 65

tr. (2)
met

Marie Anna Cornélie de Jozée, ged. te Liège op 24 jan 1669, ovl. (ongeveer 77 jaar oud) te Liège op 28 sep 1746.


Anna Walthery
Anna Walthery, ged. te Liège op 28 jan 1661, ovl. (ongeveer 43 jaar oud) te Dordrecht [zh] op 1 sep 1704, begr. te Dordrecht [zh] in de Grote Kerk.

tr. (resp. ongeveer 19 en ongeveer 25 jaar oud) te Liège op 12 jan 1681
met

Hubertus Borret "Die handel in mee of meekrap [rode verfstof] werd [sedert het einde van de 18e eeuw] uitgeoefend in het pand Kuipershaven 41/42, dat de toepasselijke naam "Het Meevat" draagt. Ter plaatse werd in 1699 door Hubert [Huijbert] Borret een viertal huisjes en kelders gekocht en vervangen door het thans nog bestaande pand. .. [In de natuurstenen onderpui bevindt zich een poortje met bovenlicht van smeedijzer, in het midden waarvan een vat is uitgebeeld, oorspronkelijk een spijkervat, later rood geverfd en voorstellende een meevat.] De stichter, Hubert Borret, was een aanzienlijk Luiks koopman, die zich in 1682 als grossier te Dordrecht vestigde. Hij was rooms-katholiek en zijn vestiging hier ter stede stond in verband met de soepele houding der stadsregering tegenover de katholieken sedert 1672. Hubert Borret, vurig katholiek als hij was, is de grondlegger van de rooms-katholieke kerk in Dordrecht geweest. In 1711 deed het schisma in Dordrecht zijn intrede en beide kerken op de Hoge Nieuwstraat en de Voorstraat (het Kruis) bleven eigendom van de oud-katholieken. Hubert Borret stelde alles in het werk om hier een katholiek geestelijke te krijgen en een kerk te stichten. .. [Reeds in 1707 werd er een rooms-katholieke] godsdienstoefening gehouden en wel in het huis het Meevat, het fraaie woonhuis van Borret. Uit het kerkelijk register blijkt dat de eerste doopsels en vormsels in de woning van Borret door priesters van buiten werden verricht. Met recht mag men daarom "het Meevat" op de hoek van de Schrijversstraat als de bakermat van katholiek Dordrecht beschouwen. Later werd een ander pakhuis van Borret, eveneens op de Kuipershaven [links van de voormalige pastorie, nu Boumanhuis (verslavingszorg, Kuipershaven 40), welk gebouw dateert van 1903 en aan de linkerzijde staat van "het Meevat"], ook als kerk gebruikt. .. In 1717 gelukte het aan Borret om een eigen priester, Leonardus Vinquedes, te krijgen en nadien begint de groei van het aantal katholieken in Dordrecht. Bij zijn dood, in 1730, kon Borret met voldoening op zijn arbeid terugzien. .. In de jaren 1737 tot 1739 ging men tot de bouw van een kerk over. Door een gift van f. 2500, - van mevrouw Oem was men in staat twee pakhuizen te kopen en op die plaats een nieuwe kerk te bouwen." (C.J.P. Lips, Wandelingen door Oud-Dordrecht [Zaltbommel 1974], p. 236-237), geb. circa dec 1655, ovl. (ongeveer 74 jaar oud) te Dordrecht [zh] op 19 jun 1730, begr. begraven in de Grote Kerk van Dordrecht met zijn vrouw en zoon Huijbert, tr. (2) met Marie Anna Cornélie de Jozée. Uit dit huwelijk geen kinderen.

Uit dit huwelijk 4 kinderen, waaronder:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Jacques~1703 Dordrecht [zh] †1768 Antwerpen [b, België] 65


Jacob Half-Wassenaar
Jacob Half-Wassenaar, geb. in 1704, ovl. (ongeveer 86 jaar oud) in 1790.

tr. (ongeveer 19 jaar oud) te Dordrecht [zh] op 13 dec 1723 blijkens het trouwboek van de Oud-Katholieke Kerk te Dordrecht: acobus Halfwassenaer doctor in de beide rechten en Rufina Joanna de Yongh (Laurentius de Jongh, doctor in de medicijnen, vader van de bruid, en Adam Halfwassenaer, vader van de bruidegom
met

Rufina Johanna de Jonge, dr. van Laurentius de Jonge.

Uit dit huwelijk 2 dochters:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Sophia*1727 's-Gravenhage [zh] †1802 Amsterdam [nl] 75
Maria*1738 's-Gravenhage [zh] †1762 Leiden [zh] 24


Rufina Johanna de Jonge
Rufina Johanna de Jonge.

tr. (Jacob ongeveer 19 jaar oud) te Dordrecht [zh] op 13 dec 1723 blijkens het trouwboek van de Oud-Katholieke Kerk te Dordrecht: acobus Halfwassenaer doctor in de beide rechten en Rufina Joanna de Yongh (Laurentius de Jongh, doctor in de medicijnen, vader van de bruid, en Adam Halfwassenaer, vader van de bruidegom
met

Jacob Half-Wassenaar, zn. van Adam Half-Wassenaer en Sophia van der Linden, geb. in 1704, ovl. (ongeveer 86 jaar oud) in 1790.

Uit dit huwelijk 2 dochters:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Sophia*1727 's-Gravenhage [zh] †1802 Amsterdam [nl] 75
Maria*1738 's-Gravenhage [zh] †1762 Leiden [zh] 24


Sophia Maria Half-Wassenaar
Sophia Maria Half-Wassenaar, geb. te 's-Gravenhage [zh] op 18 aug 1727, ovl. (75 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 15 dec 1802, begr. te Leiden [zh].

tr. (resp. 31 en 24 jaar oud) te 's-Gravenhage [zh] op 7 aug 1759
met

Arnoldus Johannes van Brienen van de Groote Lindt, zn. van Willem van Brienen (eigenaar van Amsterdamse handelshuis Willem van Brienen&Zn.) en Anna de Jongh, geb. te Amsterdam [nl] op 28 jun 1735, regent van het Maagdenhuis, ovl. (69 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 4 dec 1804.

Arnoldus Johannes van Brienen.
Het R.K. Van Brienenhofje is gesticht in 1804 en de stichter Arnout Jan van Brienen kon helaas alleen nog de eerste steen leggen, maar overleed nog datzelfde jaar. De officiële naam is “Stichting Van Brienens Gesticht De Star”, naar de brouwerij die op deze plaats heeft gestaan en die in 1797 door Van Brienen was gekocht (het was één van de dertien bierbrouwerijen van Amsterdam van het einde van de 18de eeuw).

Uit dit huwelijk 2 zonen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Wilhelmus*1760 Amsterdam [nl] †1839 Wassenaar [zh] 78
Jacobus~1764 Amsterdam [nl]    


Arnoldus Johannes van Brienen
Arnoldus Johannes van Brienen van de Groote Lindt, geb. te Amsterdam [nl] op 28 jun 1735, regent van het Maagdenhuis, ovl. (69 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 4 dec 1804.

Arnoldus Johannes van Brienen.
Het R.K. Van Brienenhofje is gesticht in 1804 en de stichter Arnout Jan van Brienen kon helaas alleen nog de eerste steen leggen, maar overleed nog datzelfde jaar. De officiële naam is “Stichting Van Brienens Gesticht De Star”, naar de brouwerij die op deze plaats heeft gestaan en die in 1797 door Van Brienen was gekocht (het was één van de dertien bierbrouwerijen van Amsterdam van het einde van de 18de eeuw).

tr. (resp. 24 en 31 jaar oud) te 's-Gravenhage [zh] op 7 aug 1759
met

Sophia Maria Half-Wassenaar, dr. van Jacob Half-Wassenaar en Rufina Johanna de Jonge, geb. te 's-Gravenhage [zh] op 18 aug 1727, ovl. (75 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 15 dec 1802, begr. te Leiden [zh].

Uit dit huwelijk 2 zonen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Wilhelmus*1760 Amsterdam [nl] †1839 Wassenaar [zh] 78
Jacobus~1764 Amsterdam [nl]    


Wilhelmus Josephus van Brienen
Wilhelmus Josephus van Brienen Willem Joseph van Brienen (1760-1839) erft Clingendael. Hij verwerft in 1825,
samen met zijn zoon Arnold Willem, de titel baron, die in 1835 overerfbaar wordt
verklaard. Hij is de grondlegger van de geleidelijke, doch fundamentele, verandering
van Clingendael in een tuin in landschapsstijl (vermoedelijk vanaf ca. 1804 naar een ontwerp van J.D.Zocher sr.
loopbaan
-
koopman en bankier firma "Van Brienen en Zoon" te Amsterdam
-
lid stedelijk bestuur van Amsterdam, van 1803 tot 1807
-
adjunct-burgemeester van Amsterdam, van 1806 tot 1808
-
lid Staatsraad, van 11 november 1807 tot januari 1808
-
wethouder van Amsterdam, van 12 januari 1808 tot 1811
-
lid Staatsraad in buitengewone dienst sectie financiën, van 5 februari 1808 tot 31 december 1808
-
lid Raad voor de Zaken van Holland te Parijs, van 22 juli 1810 tot 29 oktober 1810
-
maire van Amsterdam, van 1811 tot 1813
-
lid algemene raad departement van de Zuiderzee, 1812
-
lid Provinciale Staten van Holland voor de steden (Amsterdam), van 19 september 1814 tot september 1815
-
buitengewoon lid Staten-Generaal der Verenigde Nederlanden voor de provincie Holland, van 8 augustus 1815 tot 19 augustus 1815
-
lid Eerste Kamer der Staten-Generaal, van 21 september 1815 tot 10 oktober 1839, geb. te Amsterdam [nl] op 31 dec 1760, ged. te Amsterdam [nl] Stadsarchief Amsterdam, DTB Dopen DTB 371, p.28(folio 14v), nr.4, Amsterdam, archief NL-SAA-908450 op 31 dec 1760 (getuigen: Jacobus Half Wassenaar en Wilhelmus van Brienen), ovl. (78 jaar oud) te Wassenaar [zh] op 10 okt 1839.

tr. (beiden 21 jaar oud) te Haarlem [nh] op 28 mei 1782
met

Margaretha Timothea Johanna Ram van Schalkwijk, dr. van Eduard Pieter Ram van Schalkwijk en Agatha Margaretha Oem van Sandelingen Ambacht, geb. te Haarlem [nh] op 10 feb 1761, ovl. (41 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 14 dec 1802.

Uit dit huwelijk 5 kinderen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Arnold~1783 Amsterdam [nl] †1854 's-Gravenhage [zh] 71
Johannes~1784 Amsterdam [nl]    
Jacobus~1785 Amsterdam [nl]    
Rusina~1788 Amsterdam [nl]    
Maria~1790 Amsterdam [nl]    


Margaretha Timothea Johanna Ram van Schalkwijk
Margaretha Timothea Johanna Ram van Schalkwijk, geb. te Haarlem [nh] op 10 feb 1761, ovl. (41 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 14 dec 1802.

tr. (beiden 21 jaar oud) te Haarlem [nh] op 28 mei 1782
met

Wilhelmus Josephus van Brienen Willem Joseph van Brienen (1760-1839) erft Clingendael. Hij verwerft in 1825,
samen met zijn zoon Arnold Willem, de titel baron, die in 1835 overerfbaar wordt
verklaard. Hij is de grondlegger van de geleidelijke, doch fundamentele, verandering
van Clingendael in een tuin in landschapsstijl (vermoedelijk vanaf ca. 1804 naar een ontwerp van J.D.Zocher sr.
loopbaan
-
koopman en bankier firma "Van Brienen en Zoon" te Amsterdam
-
lid stedelijk bestuur van Amsterdam, van 1803 tot 1807
-
adjunct-burgemeester van Amsterdam, van 1806 tot 1808
-
lid Staatsraad, van 11 november 1807 tot januari 1808
-
wethouder van Amsterdam, van 12 januari 1808 tot 1811
-
lid Staatsraad in buitengewone dienst sectie financiën, van 5 februari 1808 tot 31 december 1808
-
lid Raad voor de Zaken van Holland te Parijs, van 22 juli 1810 tot 29 oktober 1810
-
maire van Amsterdam, van 1811 tot 1813
-
lid algemene raad departement van de Zuiderzee, 1812
-
lid Provinciale Staten van Holland voor de steden (Amsterdam), van 19 september 1814 tot september 1815
-
buitengewoon lid Staten-Generaal der Verenigde Nederlanden voor de provincie Holland, van 8 augustus 1815 tot 19 augustus 1815
-
lid Eerste Kamer der Staten-Generaal, van 21 september 1815 tot 10 oktober 1839, zn. van Arnoldus Johannes van Brienen (regent van het Maagdenhuis) en Sophia Maria Half-Wassenaar, geb. te Amsterdam [nl] op 31 dec 1760, ged. te Amsterdam [nl] Stadsarchief Amsterdam, DTB Dopen DTB 371, p.28(folio 14v), nr.4, Amsterdam, archief NL-SAA-908450 op 31 dec 1760 (getuigen: Jacobus Half Wassenaar en Wilhelmus van Brienen), ovl. (78 jaar oud) te Wassenaar [zh] op 10 okt 1839.

Uit dit huwelijk 5 kinderen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Arnold~1783 Amsterdam [nl] †1854 's-Gravenhage [zh] 71
Johannes~1784 Amsterdam [nl]    
Jacobus~1785 Amsterdam [nl]    
Rusina~1788 Amsterdam [nl]    
Maria~1790 Amsterdam [nl]    


Willem van Brienen
Willem van Brienen, geb. te Leiden [zh], ged. te Leiden [zh] in de kerk der paters Franciscanen op 31 mrt 1697 (getuigen: zijn grootvader Anthonie van Brienen en Elisabeth Clumper), eigenaar van Amsterdamse handelshuis Willem van Brienen&Zn, ovl. (ongeveer 80 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 26 jan 1778.

otr. te Amsterdam [nl] DTB 715, p.106 op 4 okt 1725 (getuigen: "Willem van Brienen wonende op de heerengracht
ouders dood, geass. door .Elgélbert Klumper en Anna
de Jongh oud 22 jaar geass. door haren vader Arent de
Jongh wonende op de Prinsengracht"), tr. (resp. ongeveer 28 en ongeveer 22 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 26 okt 1725
met

Anna de Jongh, dr. van Arnoldus de Jongh (Junior) en Maria van Schoonderwoert, ged. te Amsterdam [nl] bronverwijzing: DTB 370, p.72(oud pag. 76), nr.2 op 19 feb 1703 in de Statie De Zaaijer (getuigen: Henricus de Jongh en Anna van Neck), ovl. (ongeveer 66 jaar oud) in 1769.

Uit dit huwelijk 4 kinderen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Johannes~1734 Amsterdam [nl]    
Arnoldus*1735 Amsterdam [nl] †1804 Amsterdam [nl] 69
Johannes*1737 Amsterdam [nl] †1764 Leiden [zh] 27
Maria~1738 Amsterdam [nl]    


Arnold Willem van Brienen
Arnold Willem baron van Brienen heer van de Groote Lindt De baron, als koopman van de firma Van Brienen & Zoon in Amsterdam woonachtig aan de Keizersgracht en later als politicus in Den Haag wonende te Huize Clingendael op het landgoed Clingendael, kocht in 1839 de buitenplaats Oosterbeek, gelegen ten oosten van Clingendael. In zijn opdracht voltooiden de zoon en kleinzoon van de beroemde landschapsarchitect Zocher de transformatie van het gebied naar een weelderige landschapsarchitectuur.[3]
Als heer van Dortsmond beschikte reeds zijn vader over de visprivileges in de omgeving van Dordrecht. De rechten werden verpacht aan verschillende partijen. In 1847 verwierf Van Brienen voor zijn bedrijf een concessie van diepvisserij op steur en zalm in de Nieuwe Maas ten oosten van Rotterdam. Bij de koop inbegrepen was het oord dat sindsdien zijn naam draagt, het Eiland van Brienenoord. Hier werd in 1965 de Van Brienenoordbrug gebouwd, geb. te Amsterdam [nl], ged. te Amsterdam [nl] Stadsarchief Amsterdam, DTB Dopen DTB 371, p.65(folio 33), nr.4, Amsterdam, archief NL-SAA-908450 op 5 apr 1783 in de rk Statie  De Zaaijer (getuigen: Arnoldus Joannes van Brienen en Agatha Margareta Oem), koopman en bankier regent RC Maagdenhuis 1815-1854, lid Eerste Kamer 1840-1849, kamerheer koning Willem I, ovl. (ongeveer 71 jaar oud) te 's-Gravenhage [zh] op 26 okt 1854 huize Clingendaal.

tr. (resp. ongeveer 30 en ongeveer 18 jaar oud) (1) te Amsterdam [nl] Noord-Hollands Archief, BS Huwelijk Amsterdam, 28 april 1813, aktenummer Reg.1 fol. 184v op 28 apr 1813
met

Angelica Louise de Wijkerslooth van Grevenmachern, dr. van Cornelis Gerardus Josephus des H.R. Rijksbaron de Wijkerslooth van Grevenmachern (rentenier te Amsterdam) en Gertrudis Maria Roest van Alkemade (regentes RC Jongensweeshuis 1791-1807), ged. te Amsterdam [nl] op 20 feb 1795 rk Jezuieten (getuigen: Jacques de Qykerslooth en Francoise Angelique Roest van Alkemade), ovl. (ongeveer 21 jaar oud) te Heemstede [nh] op 29 jul 1816 huize Eynden-Hout.

Uit dit huwelijk 2 kinderen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Willem*1814 Amsterdam [nl] †1863 's-Gravenhage [zh] 49
Adelaïde*1815 Amsterdam [nl] †1871 Luik 55

tr. (resp. ongeveer 42 en 23 jaar oud) (2) te Beveren [België] op 13 jun 1825
met

Carolina Francisca Josephina de Brouchoven de Bergeyck, dr. van Charles Francois de Brouchoven de Bergeyck en Caroline Joséphine Maria Roose de Baisy, geb. te Brussel [België] op 12 mei 1802, dame du palais van koningin Anna Pauwlovna, ovl. (44 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 13 jun 1846.

Uit dit huwelijk 4 kinderen, waaronder:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Jacob*1830 Amsterdam [nl] †1858 Brussel [België] 27


Jacob Willem Half-Wassenaar
Jacob Willem Half-Wassenaar heer van Onsenoort en Nieuwkuik, ged. te 's-Hertogenbosch [nb] op 5 feb 1775 (getuigen: Lucas van Engelen en Joanna Everarda de Roij), diverse politieke functies, ovl. (ongeveer 62 jaar oud) te 's-Hertogenbosch [nb] op 5 feb 1837.

tr. (beiden ongeveer 28 jaar oud) te 's-Hertogenbosch [nb] op 15 nov 1803
met

Barbara Jacoba van Willigen, dr. van Franciscus Anthonius van Willigen (regeringsraad van de Keurvorst van Beieren te Den Haag) en Maria Anna van den Broeck, ged. te Ravenstein [nb] op 12 okt 1775, ovl. (ongeveer 82 jaar oud) te Nieuwkuijk [nb] op 16 nov 1857 Onsenoort.

Uit dit huwelijk 2 kinderen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Julia~1807 's-Hertogenbosch [nb] †1892 's-Hertogenbosch [nb] 85
Franciscus~1808 's-Hertogenbosch [nb] †1853 Brussel [België] 45


Barbara Jacoba van Willigen
Barbara Jacoba van Willigen, ged. te Ravenstein [nb] op 12 okt 1775, ovl. (ongeveer 82 jaar oud) te Nieuwkuijk [nb] op 16 nov 1857 Onsenoort.

tr. (beiden ongeveer 28 jaar oud) te 's-Hertogenbosch [nb] op 15 nov 1803
met

Jacob Willem Half-Wassenaar heer van Onsenoort en Nieuwkuik, zn. van Bernardus Jacobus Joannes Half-Wassenaar en Petronella Jacoba Maria van Engelen, ged. te 's-Hertogenbosch [nb] op 5 feb 1775 (getuigen: Lucas van Engelen en Joanna Everarda de Roij), diverse politieke functies, ovl. (ongeveer 62 jaar oud) te 's-Hertogenbosch [nb] op 5 feb 1837.

Uit dit huwelijk 2 kinderen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Julia~1807 's-Hertogenbosch [nb] †1892 's-Hertogenbosch [nb] 85
Franciscus~1808 's-Hertogenbosch [nb] †1853 Brussel [België] 45


Franciscus Anthonius van Willigen
Franciscus Anthonius van Willigen, geb. vermoedelijk te Luik in 1738, regeringsraad van de Keurvorst van Beieren te Den Haag, ovl. (ongeveer 45 jaar oud) in 1783.

tr. (resp. ongeveer 30 en ongeveer 21 jaar oud) in 1768
met

Maria Anna van den Broeck, dr. van Jacobus Antonius van den Broeck (schepen van Venlo) en Eva Frederica Verlaer, ged. te Venlo [li] op 13 jun 1747, ovl. (ongeveer 36 jaar oud) in 1783.

Uit dit huwelijk 8 kinderen, waaronder:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Barbara~1775 Ravenstein [nb] †1857 Nieuwkuijk [nb] 82


Maria Anna van den Broeck
Maria Anna van den Broeck, ged. te Venlo [li] op 13 jun 1747, ovl. (ongeveer 36 jaar oud) in 1783.

tr. (resp. ongeveer 21 en ongeveer 30 jaar oud) in 1768
met

Franciscus Anthonius van Willigen, geb. vermoedelijk te Luik in 1738, regeringsraad van de Keurvorst van Beieren te Den Haag, ovl. (ongeveer 45 jaar oud) in 1783.

Uit dit huwelijk 8 kinderen, waaronder:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Barbara~1775 Ravenstein [nb] †1857 Nieuwkuijk [nb] 82


Johan Philips van Leefdael
Johan Philips van Leefdael In 1643 werd de heerlijkheid Beek en Donk door koning Filips IV van Spanje verkocht aan Jan Baptista van Elen. In 1646 werd ze verkocht aan Philips van Leefdael. Deze stierf in 1681, waarna zijn zoon Johan Philips de heerlijkheid erfde.
In 1711 kwam de heerlijkheid in handen van Jean de Coutereau, heer tot Asse, die gehuwd was met Johan Filips' dochter Cornelia Johanna van Leefdael. In 1730 stierf Jean en Cornelia verkocht de heerlijkheid in 1734 aan Johan Peter van Raesfeldt, die haar in 1745 aan Gisbert de Jong verkocht. Bij diens dood in 1794 kwam de heerlijkheid aan Benjamin de Jong.

tr. te Oisterwijk [nb] op 23 aug 1682
met

Henriëtte Florentine van Vladeracken, dr. van Charles Antoni van Vladeracken en Maria Bam, ovl. te Haaren [nb] in 1685.

Uit dit huwelijk 2 kinderen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Cornelia~1683 Beek en Donk [nb]    
Philip~1685 Beek en Donk [nb]    


Henriëtte Florentine van Vladeracken
Henriëtte Florentine van Vladeracken, ovl. te Haaren [nb] in 1685.

tr. te Oisterwijk [nb] op 23 aug 1682
met

Johan Philips van Leefdael In 1643 werd de heerlijkheid Beek en Donk door koning Filips IV van Spanje verkocht aan Jan Baptista van Elen. In 1646 werd ze verkocht aan Philips van Leefdael. Deze stierf in 1681, waarna zijn zoon Johan Philips de heerlijkheid erfde.
In 1711 kwam de heerlijkheid in handen van Jean de Coutereau, heer tot Asse, die gehuwd was met Johan Filips' dochter Cornelia Johanna van Leefdael. In 1730 stierf Jean en Cornelia verkocht de heerlijkheid in 1734 aan Johan Peter van Raesfeldt, die haar in 1745 aan Gisbert de Jong verkocht. Bij diens dood in 1794 kwam de heerlijkheid aan Benjamin de Jong, zn. van Philips van Leefdael (heer van Waalwijk en Beek (=Beek en Donk)) en Cornelia van Egmond van der Nijenburg.

Uit dit huwelijk 2 kinderen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Cornelia~1683 Beek en Donk [nb]    
Philip~1685 Beek en Donk [nb]    


Cornelia Johanna van Leefdael
Cornelia Johanna van Leefdael markiezin van Assche, ged. te Beek en Donk [nb] op 11 aug 1683 (getuigen: Johannes van Leefdael en Maria, weduwe van Karel Anton van Vladeracken).

tr. (ongeveer 24 jaar oud) te Aarle-Rixtel [nb] op 12 feb 1708 (getuigen: Joannes van Melis, pastoor in Stiphout en Justina de Amstel wed. Joannus Philippi Baron van Leefdael)
met

Jean Alexander de Coutereau vrijheer van Velp en markies van Asse (Jean of Johan verkocht de heerlijkheid Waalwijk in 1712 aan Maurits le Leu de Wilhem (1643-1724, zn. van Willem de Coutereau en Cathérine de Coutereau, ovl. te Brussel [België] in het Hotel d'Assche, het voormalige refugiehuis der abdij Affligem, maar door deze in 1551 verkocht aan Jan de Cotereau op 23 aug 1725, begr. te Asse in het familiegraf in het hoogkoor.

Uit dit huwelijk 2 dochters:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Catherina     
Isabella~1714 Beek en Donk [nb]    


Charles Antoni van Vladeracken
Charles Antoni (Carel Anthonij) van Vladeracken heer van den Nemelaar, ged. te 's-Hertogenbosch [nb] op 21 mrt 1628, begr. te Haaren [nb] op 2 nov 1681.

tr. Van Vladeracken
In 14?? verklaart Willem van Bockhoven, dat hij al enige tijd geleden de heerlijkheid van zijn vader heeft geërfd. Willem, die ook de heerlijkheid Bockhoven bezat, was meerdere keren schepen en raad van Den Bosch, evenals zijn zoon Nicolaas, die later het kasteel in Haaren kreeg. Diens oudste dochter Cornelia - getrouwd met Gerard van Vladeracken - verwierf Nemelaer in 1532. Haar man was heer van Geffen en van het Huis Nuland en ridder in de orde van het H. Graf te Jeruzalem. Na de dood van zijn vrouw hertrouwde hij met een dochter van de hoogschout ridder Jan van Wijngaerden. Hij had enkele kinderen van wie Nicolaas - lang voor de dood van zijn vader - heer van Nemelaer werd.
In de roerige tijd rond 1584 toen Staatse troepen de Meijerij afliepen, waren op Nemelaer soldaten gelegerd, die optraden tegen de Staatsen. Na de dood van zijn vader werd Karel van Vladeracken tot 1617 heer van Nemelaer. Het huis werd door diens zoon Karel Antony verheven. Na zijn dood benoemde zijn weduwe Maria van Bam in 1682 een "besetman" over het huis. Een natuurstenen alliantiewapen van deze laatste Van Vladeracken en van diens vrouw met het jaartal 1682 zit nog in de stenen poort van de voorburcht.
Cronström
Nemelaer bleef na hun dood in de familie doordat de echtgenoten van de dochters Henrietta, getrouwd met Johan Philip baron van Leefdael, heer van Waalwijk, Beek, Croy en Stiphout, en Emerentiana, gehuwd met Pierre de Corswarem, graaf van Niel, het kasteel met toebehoren kochten. De laatste kreeg uiteindelijk het kasteel alleen. Na de dood van zijn dochter Ursula werd het verkocht aan Isaack Baron van Cronström, brigadier, gouverneur van Hoey. Van Cronström, die ook gouverneur van Den Bosch werd, liet in 1718 Nemelaer herstellen. Een steen in het bordes getuigde daarvan doch bij de verkoop in 1964 is die steen weggehaald.
Zoals zijn naam al verraadt, was Van Cronström een Zweed van komaf. Via Franse krijgsdienst kwam hij in het Nederlandse leger terecht. Toen hij in 1745 militair gouverneur van Den Bosch werd, ging hij op Haaren wonen. Op 87-jarige leeftijd werd hij nog opperbevelhebber van Bergen op Zoom. Na de overrompeling van de stad door de Fransen werd hij van "vlucht" beschuldigd. Op zijn kasteel schreef hij zijn eigen verdediging maar de dood haalde hem in 1751 uit de moeilijkheden. Een eindvonnis was er toen nog niet geveld. Ondanks deze "affaire" werd zijn zoon Daniël Isaack generaal-adjudant van de Prins van Oranje en later generaal-majoor en gouverneur van Den Bosch. Men zou hierin wellicht een rehabilitatie van de vader kunnen zien. Daniël ontving ook kasteel Nemelaer, waar hij de middenvleugel van de bijgebouwen liet oprichten of verbouwen. Dit gebeurde in 1757 en de huidige muurankers getuigen daarvan.
Verkopen
Op Nemelaer bleven de generaties elkaar opvolgen. Het kasteel werd in de komende periode verschillende malen verkocht. Na de dood van Daniël woonde er enige tijd diens zuster, de douairière van Deelen tot Schonenburgh. In 1769 werd het kasteel voor f 66.000,- verkocht aan Maria Baronesse Pieck, douairière Le Leu de Wilhelm. Zij verkocht het enige jaren later door aan Casparus de Jongh, Heere van Spanbroek, die er f 74.000,- voor neertelde. Na zijn dood had Willem, baron van Willemsdorff, er in 1775 al f 88.000,- voor over. Diens erfgenamen verkochten het in 1789 aan mr. Michel Hubert, vrijheer van Hilvarenbeek, Diessen, Riel en Westelbeers. Deze oud-schepen van Rotterdam en eigenaar van Ockenburg bij Den Haag ging op Nemelaer wonen en bracht er vermoedelijk tal van veranderingen aan. Het gesneden bovenlicht van de hoofddeur schijnt van hem afkomstig. Voor het geheel had hij f 42.900,- betaald doch hij maakte er in 1796 slechts f 32.000,- van toen Maria de Normandy, weduwe de Monchy, de eigenaresse werd
met

Maria Bam, ovl. op 20 feb 1702.

Uit dit huwelijk een dochter:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Henriëtte  †1685 Haaren [nb]  


Maria Bam
Maria Bam, ovl. op 20 feb 1702.

tr. Van Vladeracken
In 14?? verklaart Willem van Bockhoven, dat hij al enige tijd geleden de heerlijkheid van zijn vader heeft geërfd. Willem, die ook de heerlijkheid Bockhoven bezat, was meerdere keren schepen en raad van Den Bosch, evenals zijn zoon Nicolaas, die later het kasteel in Haaren kreeg. Diens oudste dochter Cornelia - getrouwd met Gerard van Vladeracken - verwierf Nemelaer in 1532. Haar man was heer van Geffen en van het Huis Nuland en ridder in de orde van het H. Graf te Jeruzalem. Na de dood van zijn vrouw hertrouwde hij met een dochter van de hoogschout ridder Jan van Wijngaerden. Hij had enkele kinderen van wie Nicolaas - lang voor de dood van zijn vader - heer van Nemelaer werd.
In de roerige tijd rond 1584 toen Staatse troepen de Meijerij afliepen, waren op Nemelaer soldaten gelegerd, die optraden tegen de Staatsen. Na de dood van zijn vader werd Karel van Vladeracken tot 1617 heer van Nemelaer. Het huis werd door diens zoon Karel Antony verheven. Na zijn dood benoemde zijn weduwe Maria van Bam in 1682 een "besetman" over het huis. Een natuurstenen alliantiewapen van deze laatste Van Vladeracken en van diens vrouw met het jaartal 1682 zit nog in de stenen poort van de voorburcht.
Cronström
Nemelaer bleef na hun dood in de familie doordat de echtgenoten van de dochters Henrietta, getrouwd met Johan Philip baron van Leefdael, heer van Waalwijk, Beek, Croy en Stiphout, en Emerentiana, gehuwd met Pierre de Corswarem, graaf van Niel, het kasteel met toebehoren kochten. De laatste kreeg uiteindelijk het kasteel alleen. Na de dood van zijn dochter Ursula werd het verkocht aan Isaack Baron van Cronström, brigadier, gouverneur van Hoey. Van Cronström, die ook gouverneur van Den Bosch werd, liet in 1718 Nemelaer herstellen. Een steen in het bordes getuigde daarvan doch bij de verkoop in 1964 is die steen weggehaald.
Zoals zijn naam al verraadt, was Van Cronström een Zweed van komaf. Via Franse krijgsdienst kwam hij in het Nederlandse leger terecht. Toen hij in 1745 militair gouverneur van Den Bosch werd, ging hij op Haaren wonen. Op 87-jarige leeftijd werd hij nog opperbevelhebber van Bergen op Zoom. Na de overrompeling van de stad door de Fransen werd hij van "vlucht" beschuldigd. Op zijn kasteel schreef hij zijn eigen verdediging maar de dood haalde hem in 1751 uit de moeilijkheden. Een eindvonnis was er toen nog niet geveld. Ondanks deze "affaire" werd zijn zoon Daniël Isaack generaal-adjudant van de Prins van Oranje en later generaal-majoor en gouverneur van Den Bosch. Men zou hierin wellicht een rehabilitatie van de vader kunnen zien. Daniël ontving ook kasteel Nemelaer, waar hij de middenvleugel van de bijgebouwen liet oprichten of verbouwen. Dit gebeurde in 1757 en de huidige muurankers getuigen daarvan.
Verkopen
Op Nemelaer bleven de generaties elkaar opvolgen. Het kasteel werd in de komende periode verschillende malen verkocht. Na de dood van Daniël woonde er enige tijd diens zuster, de douairière van Deelen tot Schonenburgh. In 1769 werd het kasteel voor f 66.000,- verkocht aan Maria Baronesse Pieck, douairière Le Leu de Wilhelm. Zij verkocht het enige jaren later door aan Casparus de Jongh, Heere van Spanbroek, die er f 74.000,- voor neertelde. Na zijn dood had Willem, baron van Willemsdorff, er in 1775 al f 88.000,- voor over. Diens erfgenamen verkochten het in 1789 aan mr. Michel Hubert, vrijheer van Hilvarenbeek, Diessen, Riel en Westelbeers. Deze oud-schepen van Rotterdam en eigenaar van Ockenburg bij Den Haag ging op Nemelaer wonen en bracht er vermoedelijk tal van veranderingen aan. Het gesneden bovenlicht van de hoofddeur schijnt van hem afkomstig. Voor het geheel had hij f 42.900,- betaald doch hij maakte er in 1796 slechts f 32.000,- van toen Maria de Normandy, weduwe de Monchy, de eigenaresse werd
met

Charles Antoni (Carel Anthonij) van Vladeracken heer van den Nemelaar, zn. van Charles Nicolaas van Vladeracken (kasteelheer van de Nemerlaer) en Maria van Doerne, ged. te 's-Hertogenbosch [nb] op 21 mrt 1628, begr. te Haaren [nb] op 2 nov 1681.

Uit dit huwelijk een dochter:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Henriëtte  †1685 Haaren [nb]