Website van Leo HENDRIKS
Carel Gerard Hultman
Carel Gerard Hultman, geb. te Zutphen [ge] op 10 jul 1752, gouverneur van Noord-Brabant van 1814-1820, ovl. (67 jaar oud) te 's-Hertogenbosch [nb] op 7 mrt 1820.

Carel Gerard Hultman.
Carel Gerard Hultman (1752-1820).
eerste gouverneur van Noord-Brabant.
Mr Carel Gerard Hultman werd geboren te Zutphen op 10 juli 1752 als zoon van de advocaat-fiscaal van de financiën van het Graafschap Zutphen Jan Andries Hultman en de Zutphense patriciërsdochter Anna Helena Schomaker. Hij huwde met een jonkvrouwe Lemker. Het huwelijk bleef kinderloos, maar hij liet drie zonen Hultman na uit een buitenechtelijke verbintenis met Johanna Vreeswijk. Hultman stierf te 's-Hertogenbosch op 7 maart 1820.
Hultmans loopbaan is veelzijdig en niet aan één woon- of standplaats gebonden. Hij heeft nog geen zes jaar lang in 's-Hertogenbosch gewoond als bewoner van het gouvernementspaleis in de Verwersstraat. Hultman is 'een man van de waereld', werd over hem gemeld bij zijn komst naar Noord-Brabant in april 1814. Stichtingen, monumenten of materiële bezittingen die met zijn naam verbonden zijn, heeft hij binnen deze provincie niet nagelaten. Niettemin is er voldoende reden om zijn biografie hier weer te geven. Hij werd in april 1814 immers de eerste gouverneur - de commissaris van de koning(in) - van Noord-Brabant als zelfstandige provincie.
Hultman trad na zijn in 1772 voltooide rechtenstudie eerst in het voetspoor van zijn vader als advocaat-fiscaal. In 1779 werd hij griffier bij het hof van Gelre. Reeds in deze tijd bleek zijn eruditie. Hij was een verzamelaar van lidmaatschappen van academies en genootschappen, maar nog groter was zijn verzamelwoede inzake boeken.
Na de Bataafse Omwenteling werd Hultman afgevaardigd naar de Nationale Vergadering, waar hij tot de gematigde federalisten behoorde. In 1798 kreeg hij de belangrijke post van secretaris van het Uitvoerend Bewind. Hiermee kwam hij op de plaats waar alle politieke lijnen tezamen kwamen. In 1806 moest hij dit secretariaat ruilen voor het landdrostambt van Maasland, het huidige Zuid-Holland. Geheel conform het centralistische karakter van het Franse staatsbestel werd hij na de inlijving van Nederland in 1811 door Napoleon verplaatst naar Avignon, hoofdstad van het departement Vaucluse. De keizer benoemde immers bij voorkeur niet-ingezetenen in de prefectures van zijn rijk. Prefecten waren regeringspionnen, die vaak om politieke redenen werden verschoven. Aan het einde van de Franse tijd, in 1813, keerde Hultman weer terug in Nederland, als prefect van het departement Monden van de IJssel in Zwolle.
De regering van de nieuwe koning Willem I wenste zoveel mogelijk te breken met het regime van de verdreven Napoleon. Geen van de prefecten werd gecontinueerd in de nieuwe funktie van gouverneur, uitgezonderd de in Noord-Brabant geplaatste Hultman. Ook in een ander opzicht was Hultman een uitzondering: hij was de enige tussen de tien benoemde gouverneurs die niet uit de hem toebedeelde provincie afkomstig waren, hoewel dit in die dagen gold als een voorwaarde en zelfs bijna grondwettelijk was vastgelegd. Derhalve behoeft zijn benoeming verklaring, temeer daar in de jaren 1807-1810 het gouvernementspaleis wel werd bewoond door een geboren Brabander, P.E. de la Court uit Gemert.
Waarom Hultman? Het antwoord is eenvoudig: omdat de regering van Willem I met hem niet goed raad wist. Hultman had zijn verdiensten en moest aan een passend ambt geholpen worden, maar waar? Wellicht om deze reden werd hij geplaatst in Brabant, een provincie waar Willem I en zijn adviseurs al evenmin raad mee wisten. Want waarschijnlijk heeft de vorst, gelet op de politieke onenigheid in deze provincie, niet willen kiezen tussen een inheemse gouverneur uit het protestantse óf uit het katholieke kamp en heeft hij iemand van buiten naar Den Bosch gezonden. Wellicht is zijn keuze minder weloverwogen: Brabant had vóór 1795 immers geen eigen gewestelijk bestuur en de geest van 1813 was - in naam althans - gericht op het herstel van het Ancien Regime.
Hultman was, zoals gezegd, een man van de wereld. De Brabantse katholieken waren stellig niet ingenomen met deze vreemdeling en vrijmetselaar, opgegroeid in de eeuw van redelijkheid en Verlichting, een tijdgeest die op dat moment plaats maakte voor het strijdbare geloof van de Romantiek. Toch wist Hultman zich staande te houden in Noord-Brabant, daarbij geholpen door zijn innemendheid, zijn politieke handigheid, maar vooral zijn plooibaarheid en luchtige behandeling van de bestuurszaken. De provinciale elite had betrekkelijk weinig last van hem. Als gouverneur liet hij de gedeputeerden in vele kwesties een grote mate van vrijheid - veel té groot, constateerde in 1822 zijn opvolger.
Sommige zaken wenste hij echter niet uit handen te geven, zoals de organisatie van de gemeentebesturen in Noord-Brabant. Hultman oordeelde in 1814 zeer negatief over de wens van de vorst om de eigenaren van heerlijkheden op het platteland te herstellen in hun oude rechten tot voordracht van de plaatselijke ambtenaren. Dit reactionaire voornemen strookte volgens hem niet met een moderne bestuursinrichting. In deze kwestie vond Hultman de Brabantse katholieke elite aan zijn zijde, die uiteraard zeer beducht was voor de terugkeer van de oude protestantse ambtenaren in deze heerlijkheden. De afkoopregeling die gedupeerde A.J.J.H. Verheijen in 1815 opstelde, vond geen gehoor bij de regering. Willem I meende dat het plan 'te gek is om er van te spreken'. Oudjaar 1818 dreigde een bestuursreglement zónder afkoopregeling te worden ingevoerd, maar toen kwam Hultman in het geweer. Hij reisde naar het hof in Brussel en schreef brief na brief aan de regering. Pas in mei 1819 ging de koning voor Hultmans smeekbeden en hartekreten door de knieën.
De Brabantse elite volgde de kwestie op de voet, voor zover althans mogelijk, want Hultman handelde zeer geheimzinnig en eigenzinnig, met name in het geval van de benoemingen van de schouten op het platteland. De gouverneur duldde hierin geen inmenging van Statenleden of gedeputeerden. Hij schoof tussen de kandidaten enkele protégés naar voren, onder andere een oud-beambte die onder hem in Maasland had gefungeerd. In november 1819 eisten de gedeputeerden onder leiding van A.J.L. Borret inspraak inzake deze benoemingen. Hultman klaagde bij de koning over hun bemoeizucht in een brief waarin duidelijk de sporen zichtbaar zijn van mentale aftakeling, die mogelijk ook al ten grondslag heeft gelegen aan zijn solisme en teruggetrokkenheid gedurende het jaar 1819.
De gouverneur dementeerde in snel tempo en bij Koninklijk Besluit van 17 januari 1820 werd hij eervol ontslagen. Nog geen twee maanden later, op 7 maart 1820 overleed hij. Hij liet een imposante bibliotheek na, die in 1821 werd geïnventariseerd en geveild. Nauw verbonden met zijn verzamelwoede waren zijn financiële schulden, die hem de naam hadden bezorgd te zeer 'afhankelijk' te zijn geweest, in de zin dat hij onder de duim van de katholieke geestelijkheid zou hebben gezeten. Een nog grotere smet op zijn reputatie vormde een misstap die Hultman had begaan in een ogenblik van 'zinnenbedwelming'. De aard van dit misdrijf blijft echter onduidelijk.
Bronnen.
• A. van Kempen, 'De afkoop van het bestuurlijk deel der heerlijke rechten in Noord-Brabant 1814 - 1819', in: Varia Historica Brabantica, IX (1982), 137-194.
• A. van Kempen, Gouvernement tussen Kroon en Statenfracties. De positie van vier gouverneurs in het politieke krachtenveld van Noord-Brabant, Tilburg 1988.
Dit artikel verscheen eerder in: J. van Oudheusden e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 2 (Uitgeverij Boom en Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, Amsterdam/Meppel 1994).

tr. (resp. 21 en 28 jaar oud) (1) te Deventer [ov] Waalse Kerk op 13 jan 1774
met

Maria Adriana Lemker, dr. van Johan Casper Lemker (commies van 's-Lands Magazijn (1744-1785)) en Johanna Wilhelmina de Beaufort, geb. te Deventer [ov] op 24 aug 1745, ovl. (54 jaar oud) te Arnhem [ge] op 9 feb 1800, tr. (24 jaar oud) (1) op 3 dec 1769 met Laurens Ribbers, ovl. in 1769. Uit dit huwelijk geen kinderen.

relatie (2)
met

Johanna (Joanna) Vreeswijk.

Uit deze relatie 5 kinderen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Carl*1803 Rotterdam [zh] †1870 Oss [nb] 66
Jacoba*1810 Utrecht [ut] †1857 Utrecht [ut] 46
Gerard*1819 's-Hertogenbosch [nb] †1869 Haarlem [nh] 50
Anna  †1819 's-Hertogenbosch [nb]  
Johanna*1797 's-Gravenhage [zh] †1877 Haarlem [nh] 79


Gerard Christiaan Hultman
Gerard Christiaan Hultman, geb. te 's-Hertogenbosch [nb] in 1819, ovl. (ongeveer 50 jaar oud) te Haarlem [nh] op 9 dec 1869.

tr. (resp. ongeveer 21 en ongeveer 23 jaar oud) te Haarlem [nh] op 2 jul 1840
met

Johanna Wilhelmina Verveer van Steenhoven Maarschalk, dr. van Christiaan Gerardus van Steenhoven Maarschalk en Johanna Louisa Vreeswijk, geb. te 's-Gravenhage [zh] circa 1817, ovl. (ongeveer 46 jaar oud) te Haarlem [nh] op 24 dec 1863.


Maria Adriana Lemker
Maria Adriana Lemker, geb. te Deventer [ov] op 24 aug 1745, ovl. (54 jaar oud) te Arnhem [ge] op 9 feb 1800.

tr. (24 jaar oud) (1) op 3 dec 1769
met

Laurens Ribbers, ovl. in 1769.

tr. (resp. 28 en 21 jaar oud) (2) te Deventer [ov] Waalse Kerk op 13 jan 1774
met

Carel Gerard Hultman, zn. van Jan Andries Hultman en Anna Helena Schomaker, geb. te Zutphen [ge] op 10 jul 1752, gouverneur van Noord-Brabant van 1814-1820, ovl. (67 jaar oud) te 's-Hertogenbosch [nb] op 7 mrt 1820, relatie (2) met Johanna (Joanna) Vreeswijk. Uit deze relatie 5 kinderen.

Carel Gerard Hultman.
Carel Gerard Hultman (1752-1820).
eerste gouverneur van Noord-Brabant.
Mr Carel Gerard Hultman werd geboren te Zutphen op 10 juli 1752 als zoon van de advocaat-fiscaal van de financiën van het Graafschap Zutphen Jan Andries Hultman en de Zutphense patriciërsdochter Anna Helena Schomaker. Hij huwde met een jonkvrouwe Lemker. Het huwelijk bleef kinderloos, maar hij liet drie zonen Hultman na uit een buitenechtelijke verbintenis met Johanna Vreeswijk. Hultman stierf te 's-Hertogenbosch op 7 maart 1820.
Hultmans loopbaan is veelzijdig en niet aan één woon- of standplaats gebonden. Hij heeft nog geen zes jaar lang in 's-Hertogenbosch gewoond als bewoner van het gouvernementspaleis in de Verwersstraat. Hultman is 'een man van de waereld', werd over hem gemeld bij zijn komst naar Noord-Brabant in april 1814. Stichtingen, monumenten of materiële bezittingen die met zijn naam verbonden zijn, heeft hij binnen deze provincie niet nagelaten. Niettemin is er voldoende reden om zijn biografie hier weer te geven. Hij werd in april 1814 immers de eerste gouverneur - de commissaris van de koning(in) - van Noord-Brabant als zelfstandige provincie.
Hultman trad na zijn in 1772 voltooide rechtenstudie eerst in het voetspoor van zijn vader als advocaat-fiscaal. In 1779 werd hij griffier bij het hof van Gelre. Reeds in deze tijd bleek zijn eruditie. Hij was een verzamelaar van lidmaatschappen van academies en genootschappen, maar nog groter was zijn verzamelwoede inzake boeken.
Na de Bataafse Omwenteling werd Hultman afgevaardigd naar de Nationale Vergadering, waar hij tot de gematigde federalisten behoorde. In 1798 kreeg hij de belangrijke post van secretaris van het Uitvoerend Bewind. Hiermee kwam hij op de plaats waar alle politieke lijnen tezamen kwamen. In 1806 moest hij dit secretariaat ruilen voor het landdrostambt van Maasland, het huidige Zuid-Holland. Geheel conform het centralistische karakter van het Franse staatsbestel werd hij na de inlijving van Nederland in 1811 door Napoleon verplaatst naar Avignon, hoofdstad van het departement Vaucluse. De keizer benoemde immers bij voorkeur niet-ingezetenen in de prefectures van zijn rijk. Prefecten waren regeringspionnen, die vaak om politieke redenen werden verschoven. Aan het einde van de Franse tijd, in 1813, keerde Hultman weer terug in Nederland, als prefect van het departement Monden van de IJssel in Zwolle.
De regering van de nieuwe koning Willem I wenste zoveel mogelijk te breken met het regime van de verdreven Napoleon. Geen van de prefecten werd gecontinueerd in de nieuwe funktie van gouverneur, uitgezonderd de in Noord-Brabant geplaatste Hultman. Ook in een ander opzicht was Hultman een uitzondering: hij was de enige tussen de tien benoemde gouverneurs die niet uit de hem toebedeelde provincie afkomstig waren, hoewel dit in die dagen gold als een voorwaarde en zelfs bijna grondwettelijk was vastgelegd. Derhalve behoeft zijn benoeming verklaring, temeer daar in de jaren 1807-1810 het gouvernementspaleis wel werd bewoond door een geboren Brabander, P.E. de la Court uit Gemert.
Waarom Hultman? Het antwoord is eenvoudig: omdat de regering van Willem I met hem niet goed raad wist. Hultman had zijn verdiensten en moest aan een passend ambt geholpen worden, maar waar? Wellicht om deze reden werd hij geplaatst in Brabant, een provincie waar Willem I en zijn adviseurs al evenmin raad mee wisten. Want waarschijnlijk heeft de vorst, gelet op de politieke onenigheid in deze provincie, niet willen kiezen tussen een inheemse gouverneur uit het protestantse óf uit het katholieke kamp en heeft hij iemand van buiten naar Den Bosch gezonden. Wellicht is zijn keuze minder weloverwogen: Brabant had vóór 1795 immers geen eigen gewestelijk bestuur en de geest van 1813 was - in naam althans - gericht op het herstel van het Ancien Regime.
Hultman was, zoals gezegd, een man van de wereld. De Brabantse katholieken waren stellig niet ingenomen met deze vreemdeling en vrijmetselaar, opgegroeid in de eeuw van redelijkheid en Verlichting, een tijdgeest die op dat moment plaats maakte voor het strijdbare geloof van de Romantiek. Toch wist Hultman zich staande te houden in Noord-Brabant, daarbij geholpen door zijn innemendheid, zijn politieke handigheid, maar vooral zijn plooibaarheid en luchtige behandeling van de bestuurszaken. De provinciale elite had betrekkelijk weinig last van hem. Als gouverneur liet hij de gedeputeerden in vele kwesties een grote mate van vrijheid - veel té groot, constateerde in 1822 zijn opvolger.
Sommige zaken wenste hij echter niet uit handen te geven, zoals de organisatie van de gemeentebesturen in Noord-Brabant. Hultman oordeelde in 1814 zeer negatief over de wens van de vorst om de eigenaren van heerlijkheden op het platteland te herstellen in hun oude rechten tot voordracht van de plaatselijke ambtenaren. Dit reactionaire voornemen strookte volgens hem niet met een moderne bestuursinrichting. In deze kwestie vond Hultman de Brabantse katholieke elite aan zijn zijde, die uiteraard zeer beducht was voor de terugkeer van de oude protestantse ambtenaren in deze heerlijkheden. De afkoopregeling die gedupeerde A.J.J.H. Verheijen in 1815 opstelde, vond geen gehoor bij de regering. Willem I meende dat het plan 'te gek is om er van te spreken'. Oudjaar 1818 dreigde een bestuursreglement zónder afkoopregeling te worden ingevoerd, maar toen kwam Hultman in het geweer. Hij reisde naar het hof in Brussel en schreef brief na brief aan de regering. Pas in mei 1819 ging de koning voor Hultmans smeekbeden en hartekreten door de knieën.
De Brabantse elite volgde de kwestie op de voet, voor zover althans mogelijk, want Hultman handelde zeer geheimzinnig en eigenzinnig, met name in het geval van de benoemingen van de schouten op het platteland. De gouverneur duldde hierin geen inmenging van Statenleden of gedeputeerden. Hij schoof tussen de kandidaten enkele protégés naar voren, onder andere een oud-beambte die onder hem in Maasland had gefungeerd. In november 1819 eisten de gedeputeerden onder leiding van A.J.L. Borret inspraak inzake deze benoemingen. Hultman klaagde bij de koning over hun bemoeizucht in een brief waarin duidelijk de sporen zichtbaar zijn van mentale aftakeling, die mogelijk ook al ten grondslag heeft gelegen aan zijn solisme en teruggetrokkenheid gedurende het jaar 1819.
De gouverneur dementeerde in snel tempo en bij Koninklijk Besluit van 17 januari 1820 werd hij eervol ontslagen. Nog geen twee maanden later, op 7 maart 1820 overleed hij. Hij liet een imposante bibliotheek na, die in 1821 werd geïnventariseerd en geveild. Nauw verbonden met zijn verzamelwoede waren zijn financiële schulden, die hem de naam hadden bezorgd te zeer 'afhankelijk' te zijn geweest, in de zin dat hij onder de duim van de katholieke geestelijkheid zou hebben gezeten. Een nog grotere smet op zijn reputatie vormde een misstap die Hultman had begaan in een ogenblik van 'zinnenbedwelming'. De aard van dit misdrijf blijft echter onduidelijk.
Bronnen.
• A. van Kempen, 'De afkoop van het bestuurlijk deel der heerlijke rechten in Noord-Brabant 1814 - 1819', in: Varia Historica Brabantica, IX (1982), 137-194.
• A. van Kempen, Gouvernement tussen Kroon en Statenfracties. De positie van vier gouverneurs in het politieke krachtenveld van Noord-Brabant, Tilburg 1988.
Dit artikel verscheen eerder in: J. van Oudheusden e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 2 (Uitgeverij Boom en Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, Amsterdam/Meppel 1994).


Laurens Ribbers
Laurens Ribbers, ovl. in 1769.

tr. (Maria 24 jaar oud) op 3 dec 1769
met

Maria Adriana Lemker, dr. van Johan Casper Lemker (commies van 's-Lands Magazijn (1744-1785)) en Johanna Wilhelmina de Beaufort, geb. te Deventer [ov] op 24 aug 1745, ovl. (54 jaar oud) te Arnhem [ge] op 9 feb 1800, tr. (2) met Carel Gerard Hultman. Uit dit huwelijk geen kinderen.


Anna Helena Hultman
Anna Helena Hultman, ovl. te 's-Hertogenbosch [nb] op 18 sep 1819.


Carl Hultman
Carl Hultman, geb. te Rotterdam [zh] op 30 apr 1803, ged. (2 jaar oud) te Rotterdam [zh] op 1 nov 1805, ovl. (66 jaar oud) te Oss [nb] op 6 mrt 1870.

tr. (ongeveer 38 jaar oud) (1) te Batavia [Indonesië] in 1841
met

Johanna Geertruida Meeverden.

tr. (resp. ongeveer 43 en ongeveer 31 jaar oud) (2) te Batavia [Indonesië] in 1846
met

Maria Carolina Josephine Hoogeveen, dr. van Adriaan Hoogeveen (vrederechter) en Henriette Convert, geb. te Amersfoort [ut] in 1815, ovl. (ongeveer 67 jaar oud) te 's-Gravenhage [zh] in 1882.


Maria Carolina Josephine Hoogeveen
Maria Carolina Josephine Hoogeveen, geb. te Amersfoort [ut] in 1815, ovl. (ongeveer 67 jaar oud) te 's-Gravenhage [zh] in 1882.

tr. (resp. ongeveer 31 en ongeveer 43 jaar oud) te Batavia [Indonesië] in 1846
met

Carl Hultman, zn. van Carel Gerard Hultman (gouverneur van Noord-Brabant van 1814-1820) en Johanna Vreeswijk, geb. te Rotterdam [zh] op 30 apr 1803, ged. (2 jaar oud) te Rotterdam [zh] op 1 nov 1805, ovl. (66 jaar oud) te Oss [nb] op 6 mrt 1870, tr. (1) met Johanna Geertruida Meeverden. Uit dit huwelijk geen kinderen.


Johannes Paulus van Brienen
Johannes Paulus van Brienen, ged. te Amsterdam [nl] Stadsarchief Amsterdam, DTB Dopen DTB 371, p.5(folio 3), nr.2, Amsterdam, archief NL-SAA-908450 op 6 jun 1734 (getuigen: Cornelius de Jong en Petrus François).


Jan Andries Hultman
Jan Andries Hultman.

tr.
met

Anna Helena Schomaker.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Carel*1752 Zutphen [ge] †1820 's-Hertogenbosch [nb] 67


Anna Helena Schomaker
Anna Helena Schomaker.

tr.
met

Jan Andries Hultman.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Carel*1752 Zutphen [ge] †1820 's-Hertogenbosch [nb] 67


Hendrik Samuel van Wickevoort Crommelin
Hendrik Samuel van Wickevoort Crommelin, geb. te De Bilt [ut] huize Arenberg circa 1733, ovl. (ongeveer 62 jaar oud) te Haarlem [nh] op 10 apr 1796.

tr. (ongeveer 29 jaar oud) te Haarlem [nh] op 12 sep 1762
met

Maria Christina Heshuysen, dr. van Jan Heshuysen en Petronella van Styrum, ovl. te Haarlem [nh] op 23 apr 1810.

Uit dit huwelijk 3 kinderen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Jan*1763 Haarlem [nh] †1837 Haarlem [nh] 73
Elisabeth*1766 Haarlem [nh] †1847 Heemstede [nh] 80
Adolf*1777 Haarlem [nh]    


Maria Christina Heshuysen
Maria Christina Heshuysen, ovl. te Haarlem [nh] op 23 apr 1810.

tr. (Hendrik ongeveer 29 jaar oud) te Haarlem [nh] op 12 sep 1762
met

Hendrik Samuel van Wickevoort Crommelin, zn. van Jean van Wickevoort Crommelin en Elisabeth Pannebacker, geb. te De Bilt [ut] huize Arenberg circa 1733, ovl. (ongeveer 62 jaar oud) te Haarlem [nh] op 10 apr 1796.

Uit dit huwelijk 3 kinderen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Jan*1763 Haarlem [nh] †1837 Haarlem [nh] 73
Elisabeth*1766 Haarlem [nh] †1847 Heemstede [nh] 80
Adolf*1777 Haarlem [nh]    


Agneta Bonnée
Agneta Bonnée, geb. in 1706, ovl. (ongeveer 65 jaar oud) in 1771.

tr. (resp. ongeveer 29 en ongeveer 34 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 4 jan 1736
met

Jacob van Walree, zn. van Cornelis van Walree en Elisabeth Roeters, geb. in 1701, ovl. (ongeveer 70 jaar oud) in 1771.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Pieter*1742 Amsterdam [nl] †1792 Amsterdam [nl] 50


Jacobus van de Poll
Jacobus (Jacob) van de Poll, geb. te Amsterdam [nl] op 6 mrt 1724, ovl. (83 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 5 mei 1807.

tr. (resp. 22 en ongeveer 20 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 22 nov 1746
met

Cornelia Jacoba Wolters, geb. in 1726, ovl. (ongeveer 69 jaar oud) in 1795.

Uit dit huwelijk 4 kinderen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Sara*1748 Amsterdam [nl] †1831 's-Gravenhage [zh] 83
Margaretha*1751 Amsterdam [nl] †1815 Amsterdam [nl] 64
Cornelia*1753 Amsterdam [nl] †1827 Amsterdam [nl] 74
Jacob*1762  †1789  27


Cornelia Jacoba Wolters
Cornelia Jacoba Wolters, geb. in 1726, ovl. (ongeveer 69 jaar oud) in 1795.

tr. (resp. ongeveer 20 en 22 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 22 nov 1746
met

Jacobus (Jacob) van de Poll, zn. van Harmen Hendrik van de Poll en Margaretha Trip, geb. te Amsterdam [nl] op 6 mrt 1724, ovl. (83 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 5 mei 1807.

Uit dit huwelijk 4 kinderen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Sara*1748 Amsterdam [nl] †1831 's-Gravenhage [zh] 83
Margaretha*1751 Amsterdam [nl] †1815 Amsterdam [nl] 64
Cornelia*1753 Amsterdam [nl] †1827 Amsterdam [nl] 74
Jacob*1762  †1789  27


David van Lennep
David van Lennep, geb. op 3 okt 1721, ovl. (49 jaar oud) te Heemstede [nh] op 20 mei 1771, begr. te Haarlem [nh] Grote kerk.

tr. (beiden 23 jaar oud) (1) te Haarlem [nh] op 18 mei 1745
met

Margaretha Silvius, dr. van Cornelis Silvius en Maria Verhamme, geb. te Haarlem [nh] op 9 apr 1722, ovl. (35 jaar oud) te Heemstede [nh] op 6 sep 1757.

Uit dit huwelijk 2 zonen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Jacob*1746 Haarlem [nh] †1776 Haarlem [nh] 30
Cornelis*1751 Haarlem [nh] †1813 Amsterdam [nl] 61

tr. (resp. 42 en 32 jaar oud) (2) te Amsterdam [nl] op 4 mrt 1764
met

Magdalena van Teylingen, dr. van Cornelis Floriszn. van Teylingen en Christina van Kinschot, geb. te Alkmaar [nh] op 17 feb 1732, ovl. (32 jaar oud) te Heemstede [nh] op 16 sep 1764, begr. te Haarlem [nh], tr. (1) met Anthony Pieter van der Lijn, zn. van Jacob van der Lijn en Amarantha Maria Reijnst, geb. te Alkmaar [nh] op 24 feb 1724, ovl. (36 jaar oud) te 's-Gravenhage [zh] op 4 feb 1761. Uit dit huwelijk geen kinderen.

tr. (resp. 45 en 43 jaar oud) (3) te Renesse [ze] op 25 aug 1767
met

Maria Machteld van Sypesteyn Miniatuurschilderes met veel talent overleed in Huis te Manpad. Maria Machteld van Sypesteyn werd in 1724 geboren als dochter uit een bekende Haarlemse regentenfamilie. Haar vader, Cornelius Ascanius van Sypesteyn, vervulde verscheidene stedelijke ambten als lid van de raad, schepen, burgemeester, baljuw, stadhouder en houtvester van Brederode. Vooral tot genealogische en oudheidkundige studies voelde hij zich aangetrokken, getuige ook zijn grote verzameling boeken, munten en dergelijke (1). Zijn portret komt voor op werk van de Haarlemse kunstschilder Frans Dekker alsook op een miniatuur van Henriëtte Wolters-van Pee uit 1744.
Kunstzinnige opleiding
Maria Machteld van Syptesteyn leefde in een kunstzinnige sfeer en leerde het miniatuurschilderen o.a. van Henriëtte Wolters, dochter van de kunstschilder Theodorus van Pee. Deze had de leerling van haar vader in het atelier echtgenoot Henricus Wolters leren kennen.
Zelfportret van Henriëtte Wolters-van Pee
Zelfportret van Henriëtte Wolters-van Pee
Vooral Henriëtte Wolters, die van 1739 tot haar overlijden in 1741 te Haarlem woonde, was in haar tijd een zeer gewaardeerde schilderes van miniatuurschilderen en kreeg zelfs aanbiedingen van tsaar Peter de Grote van Rusland en koning Frederik Willem van Pruisen om in dienst te komen van hun hof maar zij sloeg deze resoluut af en bleef haar echtgenoot en de Spaarnestad trouw. Op 19-jarige leeftijd huwde jonge dochter Maria Machteld met weduwnaar mr. Pieter van Schuylenburch, heer van Moermont en Renesse (1714-1764) en wel op 9 juli 1743 te ’s-Gravenhage na ondertrouw in Haarlem op 27 juni).
Mr. Pieter van Schuyelburch (1714-1764), eerste echtegenoot van Maria Machteld van Sypesteyn. Portret uit 1763 door George van der Mijn (circa 1727-1763)
Mr. Pieter van Schuyenburch (1714-1764), eerste echtegenoot van Maria Machteld van Sypesteyn. Portret uit 1763 door George van der Mijn (circa 1727-1763)
Pieter Langendijk wijdde een huwelijkvers aan het echtpaar waarin hij haar opriep de bruidegom te portretteren, wat zij in 1744 heeft gedaan, evenals van haar broer Bonaventura (2). Mr. Pieter was zoon van de Haarlemse regent mr. Jan van Schuylenburch uit diens tweede huwelijk met Cornelia Kemp van Moermont – een dochter van de omtreden Zeeuwse regent mr. Pieter Kemp van Moermont. In het jaar van hun huwelijk begon de echtgenoot zijn ambtelijke loopbaan als lid van de vroedschap en op het laatst van zijn leven werd hij burgemeester van Haarlem. Evenals zijn vrouw is hij in 1763 geportretteerd door George van der Mijn (circa 1727-1763), welk portret zich bevindt in de collectie van Sypesteyn in Loosdrecht. Hij overleed, nauwelijks een halve eeuw oud, in 1764 en is begraven in de Grote of Bavo-kerk in het dubbelgraf, Zuiderkrans 33 en 34, waarin ok zijn ouders, beiden in 1735 waren bijgezet. Met haar eerste echtgenoot is Maria Machteld van Sypesteyn in enkele kunstenaarslexica opgenomen onder de naam Schuylenburch, M.M, geb. van Sypesteyn.
Het Manpad
In 1767 hertrouwde zij in het kasteeltje te Renesse met een andere regent, mr. David van Lennep, intussen tweemaal weduwnaar. Deze bezat een fraai patriciërshuis in de Kruisstraat maar verbleef met zijn derde gemalin veelal op zijn buiten Huis te Manpad, na eerder ‘Vaart en Duin’ in Overveen (in 1752 verkocht aan mr. Cornelis Ascanius van Sypesteyn, broer van zijn latere vrouw) en ‘Groenendaal’ in Heemstede te hebben bewoond.
Mr. Jacob van Lennep schreef in 1861 omtrent zijn overgrootvader, de eerste patriciër van het geslacht: “David van Lennep was toen juist aan ’t vrijen met de Vrouwe van Moermont en beklaagde zich gedurig in zijn brieven aan zijn zoon over de moeite die ’t hem kostte, haar tot derde vrouw te krijgen. Zeker oordeelde hij, dat zijn buitenhuis, hoe fraai ook, harer nog niet waardig was, althands hij liet het aan de achterzijde met een derde vergrooten, liet het behangsel der ruime middelzaal in dat nieuwe gedeelte door den bekwamen Jurriaen Andriessen met fraaie Arkadische landschappen beschilderen, die nog niet aanwezig zijn, en besteedde ruim ƒ 20.000,- aan de verbouwing. Maar jij slaagde en wel spoedig naar wensch: althands reeds in November van datzelfde jaar 1767 mocht hij zijn nieuwe woning met zijn nieuwe vrouw betrekken.”
Behangelschilderingen van Jurriaen Andriessen (1742-1809) in Huis te Manpad
Behangelschilderingen van Jurriaen Andriessen (1742-1809) in Huis te Manpad
Huis te Manpad was voor ƒ 58.000,-  gekocht van vrouwe Debora Elias en voor Groenendaal had hij de som van ƒ 38.000,- bekomen. Van het Huis te Manpad in 18e eeuwse tooi zijn in opdracht van Maria Machteld in 1773 tekeningen gemaakt door de Haarlemse kunstenaar Hendrik Keun.
Voorzijde van Het Manpad  met de Heerenweg in 1773. Tekening van Hendrik Keun.
Voorzijde van Het Manpad met de Heerenweg in 1773. Tekening van Hendrik Keun.
Huis te Manpad in 1773 door Hendrik Keun. Achterzijde vanaf de Leidsevaart met een trekschuit en roeiboot
Huis te Manpad in 1773 door Hendrik Keun. Achterzijde vanaf de Leidsevaart met een trekschuit en roeiboot
Erg lang heeft David van Lennep van zijn nieuwe bezit niet kunnen genieten daar hij in 1771 op het Manpad is overleden en in de Grote Kerk te Haarlem begraven. Maria Machteld, op huwelijkse voorwaarden getrouwd, bleef op het Manpad maar kocht terug van mr. Albert Fabricius een familiehuis in de Smedestraat op 18 september 1771. Na op 26 april 1774 in het Huis te Manpad te zijn overleden is zij uitgedragen in haar woning aan de Smedestraat en vervolgens bijgezet in het dubbelgraf Noordertrans nrs. 314 en 315 in de Grote Kerk, waarin ook haar beiden ouders, beiden in 1744, begraven waren. Haar broer Cornelius Ascanius, onder andere zesmaal burgemeester van Haarlem, had zij tot enige en universele erfgenaam gemaakt, zodat hij zich in 1774 heer van Moermont, Renesse en Moermont mocht noemen. Huis te Manpad werd conform testamentaire beschikking toebedeeld aan Cornelis van Lennep, zoon uit David’s eerste huwelijk met burgemeestersdochter Margaretha Sylvius, dr. van Cornelis Ascanius IV van Sypestein (schepen en raad te Haarlem) en Maria de Lange, geb. te Haarlem [nh] op 28 mrt 1724, ovl. (50 jaar oud) te Haarlem [nh] op 26 apr 1774, otr. (1) te Haarlem [nh], tr. (resp. 19 en ongeveer 29 jaar oud) te 's-Gravenhage [zh] op 9 jul 1743 met Pieter van Schuylenburch heer van Moermont en Renesse, zn. van Joan van Schuylenburch en Cornelia Jacoba Kemp van Moermont, geb. in 1714, ovl. (ongeveer 50 jaar oud) in 1764. Uit dit huwelijk geen kinderen.


Margaretha Silvius
Margaretha Silvius, geb. te Haarlem [nh] op 9 apr 1722, ovl. (35 jaar oud) te Heemstede [nh] op 6 sep 1757.

tr. (beiden 23 jaar oud) te Haarlem [nh] op 18 mei 1745
met

David van Lennep, zn. van Jacob van Lennep (koopman) en Petronella de Neufville, geb. op 3 okt 1721, ovl. (49 jaar oud) te Heemstede [nh] op 20 mei 1771, begr. te Haarlem [nh] Grote kerk, tr. (2) met Magdalena van Teylingen. Uit dit huwelijk geen kinderen, tr. (3) met Maria Machteld van Sypesteyn Miniatuurschilderes met veel talent overleed in Huis te Manpad. Maria Machteld van Sypesteyn werd in 1724 geboren als dochter uit een bekende Haarlemse regentenfamilie. Haar vader, Cornelius Ascanius van Sypesteyn, vervulde verscheidene stedelijke ambten als lid van de raad, schepen, burgemeester, baljuw, stadhouder en houtvester van Brederode. Vooral tot genealogische en oudheidkundige studies voelde hij zich aangetrokken, getuige ook zijn grote verzameling boeken, munten en dergelijke (1). Zijn portret komt voor op werk van de Haarlemse kunstschilder Frans Dekker alsook op een miniatuur van Henriëtte Wolters-van Pee uit 1744.
Kunstzinnige opleiding
Maria Machteld van Syptesteyn leefde in een kunstzinnige sfeer en leerde het miniatuurschilderen o.a. van Henriëtte Wolters, dochter van de kunstschilder Theodorus van Pee. Deze had de leerling van haar vader in het atelier echtgenoot Henricus Wolters leren kennen.
Zelfportret van Henriëtte Wolters-van Pee
Zelfportret van Henriëtte Wolters-van Pee
Vooral Henriëtte Wolters, die van 1739 tot haar overlijden in 1741 te Haarlem woonde, was in haar tijd een zeer gewaardeerde schilderes van miniatuurschilderen en kreeg zelfs aanbiedingen van tsaar Peter de Grote van Rusland en koning Frederik Willem van Pruisen om in dienst te komen van hun hof maar zij sloeg deze resoluut af en bleef haar echtgenoot en de Spaarnestad trouw. Op 19-jarige leeftijd huwde jonge dochter Maria Machteld met weduwnaar mr. Pieter van Schuylenburch, heer van Moermont en Renesse (1714-1764) en wel op 9 juli 1743 te ’s-Gravenhage na ondertrouw in Haarlem op 27 juni).
Mr. Pieter van Schuyelburch (1714-1764), eerste echtegenoot van Maria Machteld van Sypesteyn. Portret uit 1763 door George van der Mijn (circa 1727-1763)
Mr. Pieter van Schuyenburch (1714-1764), eerste echtegenoot van Maria Machteld van Sypesteyn. Portret uit 1763 door George van der Mijn (circa 1727-1763)
Pieter Langendijk wijdde een huwelijkvers aan het echtpaar waarin hij haar opriep de bruidegom te portretteren, wat zij in 1744 heeft gedaan, evenals van haar broer Bonaventura (2). Mr. Pieter was zoon van de Haarlemse regent mr. Jan van Schuylenburch uit diens tweede huwelijk met Cornelia Kemp van Moermont – een dochter van de omtreden Zeeuwse regent mr. Pieter Kemp van Moermont. In het jaar van hun huwelijk begon de echtgenoot zijn ambtelijke loopbaan als lid van de vroedschap en op het laatst van zijn leven werd hij burgemeester van Haarlem. Evenals zijn vrouw is hij in 1763 geportretteerd door George van der Mijn (circa 1727-1763), welk portret zich bevindt in de collectie van Sypesteyn in Loosdrecht. Hij overleed, nauwelijks een halve eeuw oud, in 1764 en is begraven in de Grote of Bavo-kerk in het dubbelgraf, Zuiderkrans 33 en 34, waarin ok zijn ouders, beiden in 1735 waren bijgezet. Met haar eerste echtgenoot is Maria Machteld van Sypesteyn in enkele kunstenaarslexica opgenomen onder de naam Schuylenburch, M.M, geb. van Sypesteyn.
Het Manpad
In 1767 hertrouwde zij in het kasteeltje te Renesse met een andere regent, mr. David van Lennep, intussen tweemaal weduwnaar. Deze bezat een fraai patriciërshuis in de Kruisstraat maar verbleef met zijn derde gemalin veelal op zijn buiten Huis te Manpad, na eerder ‘Vaart en Duin’ in Overveen (in 1752 verkocht aan mr. Cornelis Ascanius van Sypesteyn, broer van zijn latere vrouw) en ‘Groenendaal’ in Heemstede te hebben bewoond.
Mr. Jacob van Lennep schreef in 1861 omtrent zijn overgrootvader, de eerste patriciër van het geslacht: “David van Lennep was toen juist aan ’t vrijen met de Vrouwe van Moermont en beklaagde zich gedurig in zijn brieven aan zijn zoon over de moeite die ’t hem kostte, haar tot derde vrouw te krijgen. Zeker oordeelde hij, dat zijn buitenhuis, hoe fraai ook, harer nog niet waardig was, althands hij liet het aan de achterzijde met een derde vergrooten, liet het behangsel der ruime middelzaal in dat nieuwe gedeelte door den bekwamen Jurriaen Andriessen met fraaie Arkadische landschappen beschilderen, die nog niet aanwezig zijn, en besteedde ruim ƒ 20.000,- aan de verbouwing. Maar jij slaagde en wel spoedig naar wensch: althands reeds in November van datzelfde jaar 1767 mocht hij zijn nieuwe woning met zijn nieuwe vrouw betrekken.”
Behangelschilderingen van Jurriaen Andriessen (1742-1809) in Huis te Manpad
Behangelschilderingen van Jurriaen Andriessen (1742-1809) in Huis te Manpad
Huis te Manpad was voor ƒ 58.000,-  gekocht van vrouwe Debora Elias en voor Groenendaal had hij de som van ƒ 38.000,- bekomen. Van het Huis te Manpad in 18e eeuwse tooi zijn in opdracht van Maria Machteld in 1773 tekeningen gemaakt door de Haarlemse kunstenaar Hendrik Keun.
Voorzijde van Het Manpad  met de Heerenweg in 1773. Tekening van Hendrik Keun.
Voorzijde van Het Manpad met de Heerenweg in 1773. Tekening van Hendrik Keun.
Huis te Manpad in 1773 door Hendrik Keun. Achterzijde vanaf de Leidsevaart met een trekschuit en roeiboot
Huis te Manpad in 1773 door Hendrik Keun. Achterzijde vanaf de Leidsevaart met een trekschuit en roeiboot
Erg lang heeft David van Lennep van zijn nieuwe bezit niet kunnen genieten daar hij in 1771 op het Manpad is overleden en in de Grote Kerk te Haarlem begraven. Maria Machteld, op huwelijkse voorwaarden getrouwd, bleef op het Manpad maar kocht terug van mr. Albert Fabricius een familiehuis in de Smedestraat op 18 september 1771. Na op 26 april 1774 in het Huis te Manpad te zijn overleden is zij uitgedragen in haar woning aan de Smedestraat en vervolgens bijgezet in het dubbelgraf Noordertrans nrs. 314 en 315 in de Grote Kerk, waarin ook haar beiden ouders, beiden in 1744, begraven waren. Haar broer Cornelius Ascanius, onder andere zesmaal burgemeester van Haarlem, had zij tot enige en universele erfgenaam gemaakt, zodat hij zich in 1774 heer van Moermont, Renesse en Moermont mocht noemen. Huis te Manpad werd conform testamentaire beschikking toebedeeld aan Cornelis van Lennep, zoon uit David’s eerste huwelijk met burgemeestersdochter Margaretha Sylvius. Uit dit huwelijk geen kinderen.

Uit dit huwelijk 2 zonen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Jacob*1746 Haarlem [nh] †1776 Haarlem [nh] 30
Cornelis*1751 Haarlem [nh] †1813 Amsterdam [nl] 61


Magdalena van Teylingen
Magdalena van Teylingen, geb. te Alkmaar [nh] op 17 feb 1732, ovl. (32 jaar oud) te Heemstede [nh] op 16 sep 1764, begr. te Haarlem [nh].

tr. (1)
met

Anthony Pieter van der Lijn, zn. van Jacob van der Lijn en Amarantha Maria Reijnst, geb. te Alkmaar [nh] op 24 feb 1724, ovl. (36 jaar oud) te 's-Gravenhage [zh] op 4 feb 1761.

tr. (resp. 32 en 42 jaar oud) (2) te Amsterdam [nl] op 4 mrt 1764
met

David van Lennep, zn. van Jacob van Lennep (koopman) en Petronella de Neufville, geb. op 3 okt 1721, ovl. (49 jaar oud) te Heemstede [nh] op 20 mei 1771, begr. te Haarlem [nh] Grote kerk, tr. (1) met Margaretha Silvius, dr. van Cornelis Silvius en Maria Verhamme. Uit dit huwelijk 2 zonen, tr. (resp. 45 en 43 jaar oud) (3) te Renesse [ze] op 25 aug 1767 met Maria Machteld van Sypesteyn Miniatuurschilderes met veel talent overleed in Huis te Manpad. Maria Machteld van Sypesteyn werd in 1724 geboren als dochter uit een bekende Haarlemse regentenfamilie. Haar vader, Cornelius Ascanius van Sypesteyn, vervulde verscheidene stedelijke ambten als lid van de raad, schepen, burgemeester, baljuw, stadhouder en houtvester van Brederode. Vooral tot genealogische en oudheidkundige studies voelde hij zich aangetrokken, getuige ook zijn grote verzameling boeken, munten en dergelijke (1). Zijn portret komt voor op werk van de Haarlemse kunstschilder Frans Dekker alsook op een miniatuur van Henriëtte Wolters-van Pee uit 1744.
Kunstzinnige opleiding
Maria Machteld van Syptesteyn leefde in een kunstzinnige sfeer en leerde het miniatuurschilderen o.a. van Henriëtte Wolters, dochter van de kunstschilder Theodorus van Pee. Deze had de leerling van haar vader in het atelier echtgenoot Henricus Wolters leren kennen.
Zelfportret van Henriëtte Wolters-van Pee
Zelfportret van Henriëtte Wolters-van Pee
Vooral Henriëtte Wolters, die van 1739 tot haar overlijden in 1741 te Haarlem woonde, was in haar tijd een zeer gewaardeerde schilderes van miniatuurschilderen en kreeg zelfs aanbiedingen van tsaar Peter de Grote van Rusland en koning Frederik Willem van Pruisen om in dienst te komen van hun hof maar zij sloeg deze resoluut af en bleef haar echtgenoot en de Spaarnestad trouw. Op 19-jarige leeftijd huwde jonge dochter Maria Machteld met weduwnaar mr. Pieter van Schuylenburch, heer van Moermont en Renesse (1714-1764) en wel op 9 juli 1743 te ’s-Gravenhage na ondertrouw in Haarlem op 27 juni).
Mr. Pieter van Schuyelburch (1714-1764), eerste echtegenoot van Maria Machteld van Sypesteyn. Portret uit 1763 door George van der Mijn (circa 1727-1763)
Mr. Pieter van Schuyenburch (1714-1764), eerste echtegenoot van Maria Machteld van Sypesteyn. Portret uit 1763 door George van der Mijn (circa 1727-1763)
Pieter Langendijk wijdde een huwelijkvers aan het echtpaar waarin hij haar opriep de bruidegom te portretteren, wat zij in 1744 heeft gedaan, evenals van haar broer Bonaventura (2). Mr. Pieter was zoon van de Haarlemse regent mr. Jan van Schuylenburch uit diens tweede huwelijk met Cornelia Kemp van Moermont – een dochter van de omtreden Zeeuwse regent mr. Pieter Kemp van Moermont. In het jaar van hun huwelijk begon de echtgenoot zijn ambtelijke loopbaan als lid van de vroedschap en op het laatst van zijn leven werd hij burgemeester van Haarlem. Evenals zijn vrouw is hij in 1763 geportretteerd door George van der Mijn (circa 1727-1763), welk portret zich bevindt in de collectie van Sypesteyn in Loosdrecht. Hij overleed, nauwelijks een halve eeuw oud, in 1764 en is begraven in de Grote of Bavo-kerk in het dubbelgraf, Zuiderkrans 33 en 34, waarin ok zijn ouders, beiden in 1735 waren bijgezet. Met haar eerste echtgenoot is Maria Machteld van Sypesteyn in enkele kunstenaarslexica opgenomen onder de naam Schuylenburch, M.M, geb. van Sypesteyn.
Het Manpad
In 1767 hertrouwde zij in het kasteeltje te Renesse met een andere regent, mr. David van Lennep, intussen tweemaal weduwnaar. Deze bezat een fraai patriciërshuis in de Kruisstraat maar verbleef met zijn derde gemalin veelal op zijn buiten Huis te Manpad, na eerder ‘Vaart en Duin’ in Overveen (in 1752 verkocht aan mr. Cornelis Ascanius van Sypesteyn, broer van zijn latere vrouw) en ‘Groenendaal’ in Heemstede te hebben bewoond.
Mr. Jacob van Lennep schreef in 1861 omtrent zijn overgrootvader, de eerste patriciër van het geslacht: “David van Lennep was toen juist aan ’t vrijen met de Vrouwe van Moermont en beklaagde zich gedurig in zijn brieven aan zijn zoon over de moeite die ’t hem kostte, haar tot derde vrouw te krijgen. Zeker oordeelde hij, dat zijn buitenhuis, hoe fraai ook, harer nog niet waardig was, althands hij liet het aan de achterzijde met een derde vergrooten, liet het behangsel der ruime middelzaal in dat nieuwe gedeelte door den bekwamen Jurriaen Andriessen met fraaie Arkadische landschappen beschilderen, die nog niet aanwezig zijn, en besteedde ruim ƒ 20.000,- aan de verbouwing. Maar jij slaagde en wel spoedig naar wensch: althands reeds in November van datzelfde jaar 1767 mocht hij zijn nieuwe woning met zijn nieuwe vrouw betrekken.”
Behangelschilderingen van Jurriaen Andriessen (1742-1809) in Huis te Manpad
Behangelschilderingen van Jurriaen Andriessen (1742-1809) in Huis te Manpad
Huis te Manpad was voor ƒ 58.000,-  gekocht van vrouwe Debora Elias en voor Groenendaal had hij de som van ƒ 38.000,- bekomen. Van het Huis te Manpad in 18e eeuwse tooi zijn in opdracht van Maria Machteld in 1773 tekeningen gemaakt door de Haarlemse kunstenaar Hendrik Keun.
Voorzijde van Het Manpad  met de Heerenweg in 1773. Tekening van Hendrik Keun.
Voorzijde van Het Manpad met de Heerenweg in 1773. Tekening van Hendrik Keun.
Huis te Manpad in 1773 door Hendrik Keun. Achterzijde vanaf de Leidsevaart met een trekschuit en roeiboot
Huis te Manpad in 1773 door Hendrik Keun. Achterzijde vanaf de Leidsevaart met een trekschuit en roeiboot
Erg lang heeft David van Lennep van zijn nieuwe bezit niet kunnen genieten daar hij in 1771 op het Manpad is overleden en in de Grote Kerk te Haarlem begraven. Maria Machteld, op huwelijkse voorwaarden getrouwd, bleef op het Manpad maar kocht terug van mr. Albert Fabricius een familiehuis in de Smedestraat op 18 september 1771. Na op 26 april 1774 in het Huis te Manpad te zijn overleden is zij uitgedragen in haar woning aan de Smedestraat en vervolgens bijgezet in het dubbelgraf Noordertrans nrs. 314 en 315 in de Grote Kerk, waarin ook haar beiden ouders, beiden in 1744, begraven waren. Haar broer Cornelius Ascanius, onder andere zesmaal burgemeester van Haarlem, had zij tot enige en universele erfgenaam gemaakt, zodat hij zich in 1774 heer van Moermont, Renesse en Moermont mocht noemen. Huis te Manpad werd conform testamentaire beschikking toebedeeld aan Cornelis van Lennep, zoon uit David’s eerste huwelijk met burgemeestersdochter Margaretha Sylvius. Uit dit huwelijk geen kinderen.


Maria Machteld van Sypesteyn
Maria Machteld van Sypesteyn Miniatuurschilderes met veel talent overleed in Huis te Manpad. Maria Machteld van Sypesteyn werd in 1724 geboren als dochter uit een bekende Haarlemse regentenfamilie. Haar vader, Cornelius Ascanius van Sypesteyn, vervulde verscheidene stedelijke ambten als lid van de raad, schepen, burgemeester, baljuw, stadhouder en houtvester van Brederode. Vooral tot genealogische en oudheidkundige studies voelde hij zich aangetrokken, getuige ook zijn grote verzameling boeken, munten en dergelijke (1). Zijn portret komt voor op werk van de Haarlemse kunstschilder Frans Dekker alsook op een miniatuur van Henriëtte Wolters-van Pee uit 1744.
Kunstzinnige opleiding
Maria Machteld van Syptesteyn leefde in een kunstzinnige sfeer en leerde het miniatuurschilderen o.a. van Henriëtte Wolters, dochter van de kunstschilder Theodorus van Pee. Deze had de leerling van haar vader in het atelier echtgenoot Henricus Wolters leren kennen.
Zelfportret van Henriëtte Wolters-van Pee
Zelfportret van Henriëtte Wolters-van Pee
Vooral Henriëtte Wolters, die van 1739 tot haar overlijden in 1741 te Haarlem woonde, was in haar tijd een zeer gewaardeerde schilderes van miniatuurschilderen en kreeg zelfs aanbiedingen van tsaar Peter de Grote van Rusland en koning Frederik Willem van Pruisen om in dienst te komen van hun hof maar zij sloeg deze resoluut af en bleef haar echtgenoot en de Spaarnestad trouw. Op 19-jarige leeftijd huwde jonge dochter Maria Machteld met weduwnaar mr. Pieter van Schuylenburch, heer van Moermont en Renesse (1714-1764) en wel op 9 juli 1743 te ’s-Gravenhage na ondertrouw in Haarlem op 27 juni).
Mr. Pieter van Schuyelburch (1714-1764), eerste echtegenoot van Maria Machteld van Sypesteyn. Portret uit 1763 door George van der Mijn (circa 1727-1763)
Mr. Pieter van Schuyenburch (1714-1764), eerste echtegenoot van Maria Machteld van Sypesteyn. Portret uit 1763 door George van der Mijn (circa 1727-1763)
Pieter Langendijk wijdde een huwelijkvers aan het echtpaar waarin hij haar opriep de bruidegom te portretteren, wat zij in 1744 heeft gedaan, evenals van haar broer Bonaventura (2). Mr. Pieter was zoon van de Haarlemse regent mr. Jan van Schuylenburch uit diens tweede huwelijk met Cornelia Kemp van Moermont – een dochter van de omtreden Zeeuwse regent mr. Pieter Kemp van Moermont. In het jaar van hun huwelijk begon de echtgenoot zijn ambtelijke loopbaan als lid van de vroedschap en op het laatst van zijn leven werd hij burgemeester van Haarlem. Evenals zijn vrouw is hij in 1763 geportretteerd door George van der Mijn (circa 1727-1763), welk portret zich bevindt in de collectie van Sypesteyn in Loosdrecht. Hij overleed, nauwelijks een halve eeuw oud, in 1764 en is begraven in de Grote of Bavo-kerk in het dubbelgraf, Zuiderkrans 33 en 34, waarin ok zijn ouders, beiden in 1735 waren bijgezet. Met haar eerste echtgenoot is Maria Machteld van Sypesteyn in enkele kunstenaarslexica opgenomen onder de naam Schuylenburch, M.M, geb. van Sypesteyn.
Het Manpad
In 1767 hertrouwde zij in het kasteeltje te Renesse met een andere regent, mr. David van Lennep, intussen tweemaal weduwnaar. Deze bezat een fraai patriciërshuis in de Kruisstraat maar verbleef met zijn derde gemalin veelal op zijn buiten Huis te Manpad, na eerder ‘Vaart en Duin’ in Overveen (in 1752 verkocht aan mr. Cornelis Ascanius van Sypesteyn, broer van zijn latere vrouw) en ‘Groenendaal’ in Heemstede te hebben bewoond.
Mr. Jacob van Lennep schreef in 1861 omtrent zijn overgrootvader, de eerste patriciër van het geslacht: “David van Lennep was toen juist aan ’t vrijen met de Vrouwe van Moermont en beklaagde zich gedurig in zijn brieven aan zijn zoon over de moeite die ’t hem kostte, haar tot derde vrouw te krijgen. Zeker oordeelde hij, dat zijn buitenhuis, hoe fraai ook, harer nog niet waardig was, althands hij liet het aan de achterzijde met een derde vergrooten, liet het behangsel der ruime middelzaal in dat nieuwe gedeelte door den bekwamen Jurriaen Andriessen met fraaie Arkadische landschappen beschilderen, die nog niet aanwezig zijn, en besteedde ruim ƒ 20.000,- aan de verbouwing. Maar jij slaagde en wel spoedig naar wensch: althands reeds in November van datzelfde jaar 1767 mocht hij zijn nieuwe woning met zijn nieuwe vrouw betrekken.”
Behangelschilderingen van Jurriaen Andriessen (1742-1809) in Huis te Manpad
Behangelschilderingen van Jurriaen Andriessen (1742-1809) in Huis te Manpad
Huis te Manpad was voor ƒ 58.000,-  gekocht van vrouwe Debora Elias en voor Groenendaal had hij de som van ƒ 38.000,- bekomen. Van het Huis te Manpad in 18e eeuwse tooi zijn in opdracht van Maria Machteld in 1773 tekeningen gemaakt door de Haarlemse kunstenaar Hendrik Keun.
Voorzijde van Het Manpad  met de Heerenweg in 1773. Tekening van Hendrik Keun.
Voorzijde van Het Manpad met de Heerenweg in 1773. Tekening van Hendrik Keun.
Huis te Manpad in 1773 door Hendrik Keun. Achterzijde vanaf de Leidsevaart met een trekschuit en roeiboot
Huis te Manpad in 1773 door Hendrik Keun. Achterzijde vanaf de Leidsevaart met een trekschuit en roeiboot
Erg lang heeft David van Lennep van zijn nieuwe bezit niet kunnen genieten daar hij in 1771 op het Manpad is overleden en in de Grote Kerk te Haarlem begraven. Maria Machteld, op huwelijkse voorwaarden getrouwd, bleef op het Manpad maar kocht terug van mr. Albert Fabricius een familiehuis in de Smedestraat op 18 september 1771. Na op 26 april 1774 in het Huis te Manpad te zijn overleden is zij uitgedragen in haar woning aan de Smedestraat en vervolgens bijgezet in het dubbelgraf Noordertrans nrs. 314 en 315 in de Grote Kerk, waarin ook haar beiden ouders, beiden in 1744, begraven waren. Haar broer Cornelius Ascanius, onder andere zesmaal burgemeester van Haarlem, had zij tot enige en universele erfgenaam gemaakt, zodat hij zich in 1774 heer van Moermont, Renesse en Moermont mocht noemen. Huis te Manpad werd conform testamentaire beschikking toebedeeld aan Cornelis van Lennep, zoon uit David’s eerste huwelijk met burgemeestersdochter Margaretha Sylvius, geb. te Haarlem [nh] op 28 mrt 1724, ovl. (50 jaar oud) te Haarlem [nh] op 26 apr 1774.

otr. (1) te Haarlem [nh], tr. (resp. 19 en ongeveer 29 jaar oud) te 's-Gravenhage [zh] op 9 jul 1743
met

Pieter van Schuylenburch heer van Moermont en Renesse, zn. van Joan van Schuylenburch en Cornelia Jacoba Kemp van Moermont, geb. in 1714, ovl. (ongeveer 50 jaar oud) in 1764.

tr. (resp. 43 en 45 jaar oud) (2) te Renesse [ze] op 25 aug 1767
met

David van Lennep, zn. van Jacob van Lennep (koopman) en Petronella de Neufville, geb. op 3 okt 1721, ovl. (49 jaar oud) te Heemstede [nh] op 20 mei 1771, begr. te Haarlem [nh] Grote kerk, tr. (beiden 23 jaar oud) (1) te Haarlem [nh] op 18 mei 1745 met Margaretha Silvius. Uit dit huwelijk 2 zonen, tr. (2) met Magdalena van Teylingen, dr. van Cornelis Floriszn. van Teylingen en Christina van Kinschot. Uit dit huwelijk geen kinderen.


Jacob van Lennep
Jacob van Lennep, geb. te Amsterdam [nl] op 15 jun 1686, koopman, ovl. (38 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 24 jan 1725.

tr. (resp. 24 en 22 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 6 apr 1711
met

Petronella de Neufville, dr. van David de Neufville en Agneta de Neufville, geb. te Amsterdam [nl] op 21 aug 1688, ovl. (61 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 5 okt 1749, tr. (resp. 44 en ongeveer 46 jaar oud) (2) te Amsterdam [nl] op 20 jan 1733 met haar neef Mattheus David de Neufville. Uit dit huwelijk geen kinderen.

Uit dit huwelijk 3 zonen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Arnout*1718 Amsterdam [nl] †1791 Amsterdam [nl] 72
David*1721  †1771 Heemstede [nh] 49
Jacob*1723 Amsterdam [nl] †1772 Amsterdam [nl] 48