Hij krijgt een zoon:
| naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen | |
| 1 | Antonie | Amersfoort [ut] | †1700 | Rotterdam [zh] | 1 | 1 |
tr. (resp. ongeveer 20 en ongeveer 19 jaar oud) (1) circa 1776
met
Margaretha Johanna Assuerus Avenhorn, dr. van Gerardus Assuerus Avenhorn en Catharina Frederica de Jongh van Persijn, geb. te Enkhuizen [nh] op 18 feb 1757, ovl. (23 jaar oud) te Enkhuizen [nh] of Leeuwarden? op 24 sep 1780.
tr. (resp. 24 en 26 jaar oud) (2) te Enkhuizen [nh] op 2 dec 1780
met
Johanna Cornelia Vaillant, dr. van Christiaan Jan Vaillant en Elisabeth Blankaart, geb. te 's-Gravenhage [zh] op 12 aug 1754, ovl. (49 jaar oud) te Enkhuizen [nh] op 30 sep 1803, tr. (resp. 18 en ongeveer 33 jaar oud) (1) te Enkhuizen [nh] op 29 nov 1772 met Pieter Gerritszn. Buyskes. Uit dit huwelijk geen kinderen.
>
tr. (resp. ongeveer 19 en ongeveer 20 jaar oud) circa 1776
met
Bernardus Blok, zn. van Roelof Blok en Jacoba Martha Coop à Groen, geb. te Makassar [Indonesië] op 10 apr 1756, schepen en secrertaris van Enkhuizen en diverse andere openbare functies, ovl. (62 jaar oud) te Alkmaar [nh] op 29 jul 1818, tr. (2) met Johanna Cornelia Vaillant. Uit dit huwelijk geen kinderen.
>
tr. (resp. 24 en 26 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 22 jun 1837
met
Regina Cornelia Schermer, dr. van Bernardus Schermer en Gesina Stam, geb. te Wormerveer [nh] op 18 feb 1811, ovl. (54 jaar oud) te 's-Gravenhage [zh] op 6 mei 1865, tr. (1) met Laurens Willem Bruijnen, zn. van Pieter Bruijnen en Maria Stam. Uit dit huwelijk een dochter.
Uit dit huwelijk 2 dochters:
| naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen | |
| 1 | Maria | *1843 | Amsterdam [nl] | †1890 | Utrecht [ut] | 47 | 1 | 3 |
| 2 | Wilhelmina | *1851 | Amsterdam [nl] | †1875 | Mechelen (B) [b] | 24 | 1 | 0 |
tr. (resp. 22 en ongeveer 34 jaar oud) (1) te Wormerveer [nh] op 14 jan 1834
met
Laurens Willem Bruijnen, zn. van Pieter Bruijnen en Maria Stam, geb. te Zaandam [nh], ged. in 1799, advocaat en procureur, ovl. (ongeveer 35 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 14 mei 1835.
Uit dit huwelijk een dochter:
| naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen | |
| 1 | Laurentia | *1835 | Amsterdam [nl] | 1 | 8 |
tr. (resp. 26 en 24 jaar oud) (2) te Amsterdam [nl] op 22 jun 1837
met
Johannes Wilhelmus van Romunde, zn. van Richardus van Romunde (koopman, wethouder van Kampen en Statenlid in Overijssel) en Walburga Muurlink, geb. te Kampen [ov] op 17 jul 1812, ovl. (47 jaar oud) te 's-Gravenhage [zh] op 4 mrt 1860.
Johannes Wilhelmus van Romunde.
-.
advocaat te Amsterdam, van 1835 tot 1 oktober 1838.
-.
kantonrechter te Amsterdam, van 1 oktober 1838 tot 1 april 1848.
-.
lid Provinciale Staten van Noord-Holland, van 22 december 1840 tot maart 1848 (voor de landelijke stand, district Sloterdijk).
-.
schoolopziener, tweede district van Noord-Holland, van 1 april 1842 tot 1 augustus 1856.
-.
raadsheer Provinciaal Gerechtshof te Amsterdam, van 1 april 1848 tot 1 augustus 1856.
-.
lid stedelijke raad (vanaf 15 oktober 1851 gemeenteraad) van Amsterdam, van 25 januari 1850 tot 1 augustus 1856.
-.
lid Provinciale Staten van Noord-Holland, van 9 september 1850 tot 5 juli 1853 (voor het kiesdistrict Amsterdam).
-.
lid Provinciale Staten van Noord-Holland, van 9 september 1853 tot 1 augustus 1856 (voor het kiesdistrict Nieuwer-Amstel).
-.
minister voor de Zaken der Rooms-Katholieke Eredienst, van 1 augustus 1856 tot 23 februari 1860.
nevenfuncties.
-.
kapitein bij de schutterij te Amsterdam.
-.
regent R.K. Oude-Armenkantoor te Amsterdam.
-.
regent Moenshofje te Amsterdam.
Uit dit huwelijk 2 dochters:
| naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen | |
| 1 | Maria | *1843 | Amsterdam [nl] | †1890 | Utrecht [ut] | 47 | 1 | 3 |
| 2 | Wilhelmina | *1851 | Amsterdam [nl] | †1875 | Mechelen (B) [b] | 24 | 1 | 0 |
tr. (ongeveer 19 jaar oud) te Osdorp [nh] op 24 mei 1752
met
Jan Hallemans, begr. te Amsterdam [nl] op 4 jan 1800.
Uit dit huwelijk een dochter:
| naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen | |
| 1 | Elisabeth | *1770 | Houtrijk en Polanen | †1802 | Amsterdam [nl] | 31 | 1 | 4 |
tr. (resp. 28 en 31 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 1 mrt 1859
met
Petrus Josephus Hubertus Cuypers Cuijpers, Petrus Josephus Hubertus (bekend onder de naam Cuypers), architect (Roermond 16-5-1827 - Roermond 3-3-1921). Zoon van Joannes Hubertus Cuijpers, koopman en kerk-schilder, en Maria Joanna Bex. Gehuwd op 26-11-1850 met Maria Rosalia van de Vin. Uit dit huwelijk werden 2 dochters geboren. Na haar overlijden (7-11-1855) gehuwd op 1-3-1859 met Antoinette Catharine Thérèse Alberdingk Thijm (naamstoevoeging Thijm bij KB van 20-1-1834 nr. 56). Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 3 dochters geboren.
Het geslacht Cuypers was vanaf het midden van de 18de eeuw in Roermond woonachtig en had meermalen blijk gegeven van een artistieke aanleg. Aan Pierres opleiding werd dan ook door de ouders alle zorg besteed. Na zijn opleiding aan het Stedelijk College te Roermond vertrok de jonge Cuypers in 1844 naar Antwerpen om zich aan de Kunstacademie in de bouwkunde te bekwamen. De opvatting dat Cuypers zich hier min of meer tegen de verdrukking in tot neogoticus zou hebben ontwikkeld behoeft enige correctie: juist de Antwerpse leermeesters - Frans Andries Durlet, Frans Stoop en Ferdinand Berckmans - waren pioniers van de neogotiek in België. Cuypers was in Antwerpen een goede leerling: bij het slotconcours in 1849 behaalde hij de Prix d'excellence en met veel feestgedruis werd hij daarna in zijn geboortestad ingehaald.
Voor zijn verdere vorming had Cuypers in Roermond veel te danken aan zijn contacten met de notaris en oudheidkundige Charles Guillon. Hij kreeg spoedig opdracht het koor van de Munsterkerk te restaureren en een nieuw altaar te ontwerpen. In 1851 werd hij tot stadsarchitect benoemd en deed hij veel ervaring op bij het bouwen van enige woonhuizen in Roermond en het ontwerpen van de pastorieën van Venray en Veghel. In laatstgenoemde stad had hij in een kelder voor het eerst een kruisribgewelf aangebracht. Bij de eerste naar zijn ontwerp uitgevoerde kerk, te Oeffelt (Nb.) in 1853, paste hij dergelijke gewelven op grotere schaal toe. Niets wijst erop - al heeft Cuypers' latere vriend en beschermer Victor de Stuers dat wel eens zo voorgesteld - dat Cuypers bij dergelijke ondernemingen in ernstige botsing zou zijn gekomen met de toezichthoudende Waterstaatsingenieurs. De eerste pogingen van Cuypers de gotiek op meer structurele wijze toe te passen dateren van vóór Cuypers' contacten omstreeks 1854 met de Franse architect en theoreticus Eugène Emmanuel Viollet-le-Duc. Behalve door zijn opleiding te Antwerpen was hij ook beïnvloed door een bezoek aan het Rijngebied in 1850, waar de Keulse neogotische bouwschool zijn aandacht trok.
Na het succes van zijn eerste kerk kreeg Cuypers veel opdrachten voor restauratie en nieuwbouw, waardoor zijn bekendheid ook buiten Roermond toenam. Voorts stichtte hij in 1852 met Fr. Stolzenberg een atelier voor kerkelijke kunst, dat een kolossale produktie van kerkmeubelen en beeldhouwwerken op zijn naam heeft staan. Bij verdere restauratie van de Munsterkerk in Roermond was Cuypers tot de overtuiging gekomen dat deze kerk oorspronkelijk met twee westtorens ontworpen was geweest, zodat hij besloot het gebouw in de aanvankelijk bedoelde toestand te reconstrueren. Dit leidde echter tot een felle polemiek - waarin hij o.a. Guilon en de architect Ch. Weber tegen zich vond - maar door interventie van o.a. Viollet-le-Duc, die persoonlijk op het strijdtoneel verscheen, konden de tegenstanders worden verslagen en werd de reconstructiebouw doorgezet (1864-1867). Latere generaties hebben de rigoureuze behandeling van het gebouw te ingrijpend gevonden. Nochtans verdient Cuypers' restauratie als negentiende-eeuwse schepping waardering. Dat Cuypers zo spoedig bekendheid verwierf, is mede te danken aan de invloed van de bekende katholieke auteur Joseph Alberdingk Thijm, die in zijn periodiek Dietsche Warande onophoudelijk propaganda maakte voor het bouwen in een zuiver opgevatte gotische stijl.
Naarmate Cuypers' actieradius zich uitbreidde, bleek Roermond te excentrisch te liggen. In 1865 vestigde hij zich in Amsterdam en van hieruit zou hij zijn werkterrein aanzienlijk verbreden. Dat Cuypers daarbij wel eens op weerstand stuitte was reeds gebleken in de jaren '60, toen zijn bekroond ontwerp voor het monument op Plein 1813 in Den Haag als te 'rooms' werd afgewezen. Hiertegenover stond echter veel erkenning, ook in het buitenland. Zo werd hij in 1870 benoemd tot Dombaumeister in Mainz, waar hij de oostelijke koepel van de dom bouwde. Vele andere Duitse opdrachten volgden. In Nederland had Victor de Stuers inmiddels zijn geruchtmakend artikel 'Holland op zijn smalst' in De Gids (1873) gepubliceerd en het regeringsbeleid, ook op het gebied van het behoud van historische gebouwen, geducht over de hekel gehaald. Hierop werd in 1874 een commissie van rijksadviseurs voor het kunst- en wetenschapsbeleid opgericht en in 1875 kreeg het departement van Binnenlandse Zaken speciaal voor kunsten en wetenschappen een nieuwe afdeling onder leiding van De Stuers. Cuypers werd lid van het College van Rijksadviseurs voor de monumenten van geschiedenis en kunst, en zo kwam een nauwe samenwerking tussen Cuypers en De Stuers tot stand. Te zamen ontplooiden zij grote activiteit. Dit veroorzaakte binnen het College veel argwaan - er werd zelfs gesproken van een ultramontaans complot - zodat in 1879 het College ontbonden moest worden. Hierdoor kreeg het duo De Stuers-Cuyper, echter juist meer invloed.
Ondertussen had Cuypers door bemiddeling van De Stuers meegedaan aan een besloten wedstrijd voor een ontwerp voor de bouw van het Rijksmuseum in Amsterdam, waarbij het ontwerp van Cuypers werd bekroond (1876) en uitgevoerd. Ook nu liepen de critici te hoop, de Koning zelf zou hebben verklaard dat hij nooit een voet in dat 'klooster' zou zetten. Na enige tijd luwde de kritiek en in 1885 kon het museum in gebruik genomen worden. Hoewel Cuypers hierna weinig gebouwen voor de rijksoverheid tot stand heeft gebracht, bleef zijn invloed, vooral bij de beide rijksbouwmeesters, C.H. Peters en J. van Lokhorst, duidelijk merkbaar. Dat hij overigens ook na het Rijksmuseum nog belangrijke opdrachten voor het ontwerpen van openbare gebouwen kreeg, blijkt uit de bouw van het Centraal Station in Amsterdam, waarmee hij in 1881 begon.
Twee beginselen zijn karakteristiek voor Cuypers' werk. In de eerste plaats het principe van een rationeel gebruik van bouwmaterialen en constructie. Alle architectonische vormen dienden gerechtvaardigd te worden door een constructieve noodzaak, zoals ook Viollet-le-Duc meende. Daarnaast was Cuypers, in tegenstelling tot de agnostisch ingestelde Viollet-le-Duc, een diep religieus man die dat ook in zijn werk wilde uiten. Zelf schreef hij niet veel over zijn opvattingen, maar in Thijm had hij zijn theoretisch leidsman gevonden. Voortbouwend op de symbolische beschouwingen van Duitse en Engelse auteurs, kwam Thijm tot verklaringen van de architectonische elementen van het kerkgebouw die verder gingen dan in de middeleeuwen gebruikelijk was. Zo wilde Thijm de bij middeleeuwse kathedralen dikwijls voorkomende verschillen tussen de twee fronttorens, zoals in Chartres, uitleggen als symbolen van twee verschillende titels van Maria: de ivoren toren en de toren van David. Dit had tot gevolg dat Cuypers, wanneer hij meer torens aan een kerk aanbracht, deze vrijwel altijd onderling verschillend van vorm maakte.
In Cuypers' oeuvre laten zich twee perioden onderscheiden. In de eerste, die eindigt omstreeks 1870, overheersen de vormen ontleend aan de Franse gotiek van de dertiende eeuw. Dit hangt samen met de opvattingen van Thijm dat de voortbrengselen van de Nederlandse gotiek uit een late en daarom decadent te achten periode stamden en daardoor niet voor navolging in aanmerking kwamen. Een goed voorbeeld van deze kerkbouw is de St. Lambertus te Veghel, die Cuypers tussen 1856 en 1862 bouwde: de kerk heeft een echte kathedrale plattegrond, met kooromgang en straalkapellen, en is voorzien van een toren waarvan de bovenbouw is geïnspireerd op de kathedraal van Chartres. Een andere kerk met een duidelijk kathedrale opzet is de St. Catharina te Eindhoven, die niet alleen was voorzien van een omgang met straalkapellen, maar ook van twee torens. Het weelderigst opgezet was wel Cuypers' St. Willibrordus buiten de Veste in Amsterdam (begonnen 1864), met een centrale kruisingskoepel, een koor met omgang, en maar liefst zes torens, alle verschillend van vorm. Het gebouw werd nooit voltooid en is in 1969 afgebroken. De eerste doorhem gebouwde kerken waren inwendig gepleisterd en gepolychromeerd. In de Alkmaarse St. Laurentius en de St. Catharina te Eindhoven werd het interieur als schoon werk beschouwd. In zijn latere werk heeft Cuypers dit steeds vaker gedaan, waarbij hij graag gebruik maakte van de mogelijkheden om met verschillend getinte baksteen bijzondere kleureffecten te bereiken.
In de tweede periode, sinds 1870, neemt de Franse invloed bij Cuypers iets af en wordt zijn werk eclectischer. Hij neemt nu meer elementen over uit de Nederlandse gotische tradities, mede geïnspireerd door het Utrechtse Sint Bernulphusgilde, dat sterk de nadruk legde op de betekenis van nationale bouwtradities. Een van zijn merkwaardigste scheppingen, de Vondelkerk in Amsterdam (1870), ligt nog in de overgang tussen beide periodes. Over de herkomst van haar merkwaardige centraliserende plattegrond is veel gespeculeerd. Echt Hollands zou men de St. Hippolytus te Delft (1884, gesloopt 1974) kunnen noemen, duidelijk geïnspireerd door de late gotiek van het in de Hollandse kuststreek voorkomende kerktype. Het brede middenschip van de St. Dominicus te Amsterdam (1884) werd beïnvloed door de Italiaanse gotiek van de Santa Croce te Florence. Ook experimenteerde hij met centraliserende plattegronden, o.a. in Lutjebroek (1876) en Oisterwijk (1893).
Bij zijn restauraties streefde hij naar een reconstructie volgens de ideale principes van de oorspronkelijke stijl en trachtte hij een gebouw stijlzuiverder en vollediger te maken dan het in het verleden ooit geweest was. Wel heel ver ging Cuypers bij de herstelwerkzaamheden aan het kasteel De Haar bij Haarzuilens (1892), die in feite neerkwamen op een herbouw volgens Cuypers' zienswijze.
Zonder aan de verdiensten van andere Nederlandse architecten van zijn tijd te kort te doen moet men toch vaststellen dat Cuypers de eerste Nederlandse architect van internationale betekenis in de moderne tijd is geweest. Zijn betekenis voor de ontwikkeling der bouwkunst is vooral daarin gelegen dat hij de principes van een rationele architectuur op consequente wijze heeft toegepast en daarmee de bouwkunst in Nederland op internationaal peil heeft gebracht. Daarnaast was voor hem de symbolische en religieuze betekenis van een gebouw ook van groot belang. Dat een bouwkundige schepping meer is dan constructie alleen is steeds zijn uitgangspunt geweest. Cuypers' kunstenaarschap ontving veel erkenning, hetgeen bleek uit de verlening van een eredoctoraat in de letteren door de Rijksuniversiteit te Utrecht in 1886 en in 1907 het doctoraat honoris causa in de technische wetenschappen te Delft. Van zijn leerlingen kunnen genoemd worden zijn zoon J.Th.J. Cuypers (1861-1949), E.J. Margry (1841-1891), Nicolaas Molenaar (1850-1930) en Jan Stuyt (1868-1934), wier activiteiten voornamelijk op het gebied van de kerkbouw lagen, alsmede K.P.C. de Bazel (1869-1932) en J.M.L. Lauweriks (1869-1923).
A: Tekeningenarchief in het Documentatiecentrum voor de Nederlandse Bouwkunst te Amsterdam. Persoonlijk archief Cuijpers in Gemeentearchief Roermond.
P: Behalve diverse artikelen in vaktijdschriften: Het Rijks-Museum te Amsterdam. Tekst van Victor de Stuers. Platen van P.J.H. Cuypers (Amsterdam, [1896-1898]); Le château de Haar à Haarzuylens (Utrecht, 1909).
L: Victor de Stuers, 'Dr. P.J.H. Cuypers', in Mannen en vrouwen van beteekenis in onze dagen. Bijeengebr. door E.D. Pijzel 28 (1897) 187-228; Het werk van Dr. P.J.H. Cuypers, 1827-1917 (Amsterdam, 1917) met een vrij uitvoerige werklijst; Cuypersnummer van Het Gildeboek 4 (1920/ '21) 49-112; Cuypersnummer van Limburg's Jaarboek 23 (1927) 3 - 104; Gerard Brom, Herleving van de kerkelike kunst in katholiek Nederland (Leiden, 1933); M.K.J. Smeets, 'Legendevorming omtrent 19e eeuwse gewelfbouw?', in De Maasgouw 72 (1958) 43 - 55; H.P.R. Rosenberg, 'De neogotiek van Cuypers en Tepe', in Bulletin van de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond 10 (1971) 1 - 14; idem, De 19de-eeuwse kerkelijke bouwkunst in Nederland ('s-Gravenhage, 1972); S. de Blaauw, 'Een negentiende-eeuwse Magister Operum. Pierre Cuypers en de bouwkunst van de Middeleeuwen', in Excursiones mediaevales. Opstellen aangeboden aan Prof.Dr. A.G. Jongkees door zijn leerlingen (Groningen, 1979) 13 - 38; G. Hoogewoud, J.J. Kuyt, A. Oxenaar, P.J.H. Cuypers en Amsterdam: gebouwen en ontwerpen 1860-1898 (['s-Gravenhage], 1985).
I: F.J. Duparc, Een eeuw strijd voor Nederlands cultureel erfgoed ('s-Gravenhage 1975) [Afbeelding 19; Pierre Cuijpers circa 1880].
A.J. Looyenga, zn. van Johannes Hubertus Cuypers (kunst- en huisschilder) en Maria Johanna Bex, geb. te Roermond [li] op 16 mei 1827, ovl. (93 jaar oud) te Roermond [li] op 3 mrt 1921, tr. (resp. 23 en 24 jaar oud) (1) op 26 nov 1850 met Maria Rosalia van de Vin, dr. van Petrus Johannes van de Vin en Catharina Beukeleers, geb. te Antwerpen [b, België] op 7 dec 1825, ovl. (29 jaar oud) te Roermond [li] op 7 nov 1855. Uit dit huwelijk 2 kinderen, waaronder.
Uit dit huwelijk 5 kinderen, waaronder:
| naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen | |
| 1 | Josephus | *1861 | Roermond [li] | †1949 | Meerssen [li] | 87 | 1 | 5 |
| 2 | Anna | *1874 | Amsterdam [nl] | 1 | 0 |
tr. (resp. 35 en 23 jaar oud) te Roermond [li] op 25 jan 1805
met
Maria Johanna Bex, dr. van Godefridus Bex en Maria Helena Bloemstein, geb. te Schinveld [li] op 18 feb 1781, ovl. (93 jaar oud) te Roermond [li] op 21 feb 1874.
Uit dit huwelijk 9 kinderen, waaronder:
| naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen | |
| 1 | Henri | *1813 | Roermond [li] | 1 | 0 | |||
| 2 | Petrus | *1827 | Roermond [li] | †1921 | Roermond [li] | 93 | 2 | 7 |
tr. (resp. ongeveer 28 en 25 jaar oud) (1) te Utrecht [ut] op 8 dec 1782
met
Anna Maria Ida van Baerle, dr. van Philippus Johannes van Baerle (advocaat en hoogheemraad van Hagestein) en Angela Maria van Muijlwijk, geb. te Utrecht [ut] op 15 jun 1757, ovl. (51 jaar oud) op 5 dec 1808.
tr. (resp. ongeveer 54 en ongeveer 25 jaar oud) (2) te Vreeland [ut] op 19 jun 1809
met
Theodora Christina Bouvy, dr. van Pablo Antonio Bouvy en Petronella Catharina Janson, geb. in 1783, firmant in de fa. Cavallier & van Ceulen een voortzetting van de fa. Joseph Bouvy te Amsterdam, ovl. (ongeveer 60 jaar oud) in 1843, tr. (resp. ongeveer 37 en 37 jaar oud) (2) te Vreeland [ut] op 30 nov 1820 met Andreas Antonius Reael, zn. van Hubertus Anthonius Reael en Maria Catharina Stoutenburg, geb. te Amsterdam [nl] op 31 jul 1783, ovl. (72 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 11 mrt 1856. Uit dit huwelijk geen kinderen.
>
tr. (resp. ongeveer 25 en ongeveer 54 jaar oud) (1) te Vreeland [ut] op 19 jun 1809
met
Jan Baptist van Keulen Koopman, Lid vroedschap Amsterdam, zn. van Adrianus van Keulen en Elisabeth van de Putte, ged. te Amsterdam [nl] Boompjes op 5 nov 1754, ovl. (ongeveer 65 jaar oud) te Vreeland [ut] op 12 dec 1819, begr. te Amsterdam [nl] in de Oude Kerk, tr. (1) met Anna Maria Ida van Baerle. Uit dit huwelijk geen kinderen.
tr. (resp. ongeveer 37 en 37 jaar oud) (2) te Vreeland [ut] op 30 nov 1820
met
Andreas Antonius Reael, zn. van Hubertus Anthonius Reael en Maria Catharina Stoutenburg, geb. te Amsterdam [nl] op 31 jul 1783, ovl. (72 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 11 mrt 1856.
>
tr. (resp. ongeveer 35 en ongeveer 37 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 7 nov 1830
met
Anna Maria Bouvy, dr. van Pablo Antonio Bouvy en Petronella Catharina Janson, ged. te Amsterdam [nl] op 13 jul 1793, ovl. (ongeveer 66 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 17 okt 1859.
Uit dit huwelijk 2 dochters:
| naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen | |
| 1 | Catharina | *1831 | Amsterdam [nl] | †1912 | Zwolle [ge] | 81 | 1 | 7 |
| 2 | Anna | *1832 | Amsterdam [nl] | †1880 | Amsterdam [nl] | 47 | 1 | 0 |
tr. (resp. ongeveer 37 en ongeveer 35 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 7 nov 1830
met
Petrus Johannes Franciscus Thijm, zn. van Lambertus Thijm en Elisabeth Maria Hallemans, geb. te Amsterdam [nl], ged. te Amsterdam [nl] op 18 sep 1795, apotheker, ovl. (ongeveer 72 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 24 apr 1868.
Uit dit huwelijk 2 dochters:
| naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen | |
| 1 | Catharina | *1831 | Amsterdam [nl] | †1912 | Zwolle [ge] | 81 | 1 | 7 |
| 2 | Anna | *1832 | Amsterdam [nl] | †1880 | Amsterdam [nl] | 47 | 1 | 0 |
tr. in 1722
met
Uit dit huwelijk een dochter:
| naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen | |
| 1 | Catrina | *1730 | Amsterdam [nl] | †1800 | Amsterdam [nl] | 70 | 1 | 9 |
tr. in 1722
met
Uit dit huwelijk een dochter:
| naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen | |
| 1 | Catrina | *1730 | Amsterdam [nl] | †1800 | Amsterdam [nl] | 70 | 1 | 9 |
tr. (resp. 18 en 15 jaar oud) te Paramaribo [Suriname] in sep 1787
met
Johanna Maria Spaan, dr. van Jan Spaan en Johanna Maria Berkhoff, geb. te Suriname Distrikt op 11 apr 1772, ovl. (43 jaar oud) te Suriname Distrikt op 10 feb 1816.
Uit dit huwelijk 4 kinderen:
| naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen | |
| 1 | Johanna | *1793 | Suriname Distrikt | †1834 | Brussel [België] | 41 | 2 | 0 |
| 2 | Lambertus | *1794 | Paramaribo [Suriname] | 0 | 0 | |||
| 3 | Clasina | *1797 | Suriname Distrikt | †1848 | 51 | 1 | 2 | |
| 4 | James | *1800 | Paramaribo [Suriname] | 0 | 0 |
tr. (resp. 15 en 18 jaar oud) te Paramaribo [Suriname] in sep 1787
met
Josephus Donatus Justus Thijm De eerste Thijm die naar Suriname kwam was Josephus Donatus Justus Thijm, geboren
in januari 1769 te Amsterdam.
Hij trouwde in september 1787 te Paramaribo met Johanna Maria Spaan, dochter van
Jan Spaan (1729-1782) en Johanna Maria Berkhoff (1736-1790).
In principe stammen alle Surinaamse Thijm's af van Josephus Donatus Justus Thijm.
Josephus Thijm had 5 kinderen met Johanna Maria Spaan.
Hij had 2 zonen, Lambertus Thijm, geboren te Paramaribo in 1794 en James Thijm,
geboren te Paramaribo in 1800.
Lambertus Thijm had een relatie met Doortje van Roepel en uit deze relatie
zijn minstens 7 kinderen geboren.
James Thijm had een relatie met Fanny Haarloo en uit deze relatie zijn minstens
8 kinderen geboren.
Fanny Haarloo was een Negerin, geboren in 1799 en overleden te Paramaribo op
28-09-1866. Zij werd gemanumitteerd in 1833.
Jan Houthakker, zn. van Joan Baptist Thijm (brouwer in "t Roode Hart" aan de Prinsengracht 353-359) en Catrina Rijke, geb. te Amsterdam [nl] in jan 1769, ovl. (54 jaar oud) op 21 feb 1823.
Uit dit huwelijk 4 kinderen:
| naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen | |
| 1 | Johanna | *1793 | Suriname Distrikt | †1834 | Brussel [België] | 41 | 2 | 0 |
| 2 | Lambertus | *1794 | Paramaribo [Suriname] | 0 | 0 | |||
| 3 | Clasina | *1797 | Suriname Distrikt | †1848 | 51 | 1 | 2 | |
| 4 | James | *1800 | Paramaribo [Suriname] | 0 | 0 |
otr. te Vught [nb] op 11 mei 1767, tr. (resp. 33 en ongeveer 44 jaar oud) te Vught [nb] op 31 mei 1767, kerk.huw. te Vught [nb] kerk St. Lambertusparochie; getuigen Walterus de Jong en Petrus Vissers op 3 jun 1767
met
Johannes Franciscus Thijm, zn. van Lambertus Johanneszn. Thijm en Maria Theresia van Malsen, geb. te Amsterdam [nl] in 1722, ged. te Amsterdam [nl] op 17 jul 1722 (getuigen: Franciscus Emmanuel Rosseau en Jacoba Francisca van Malsen).
Uit dit huwelijk 5 kinderen:
| naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen | |
| 1 | Maria | ~1768 | Vught [nb] | †1849 | 81 | 1 | 0 | |
| 2 | Lambertus | ~1769 | Vught [nb] | †1803 | Maashees [nb] | 33 | 0 | 0 |
| 3 | Birgitta | ~1771 | Vught [nb] | †1856 | Weert [li] | 84 | 1 | 0 |
| 4 | Theresia | ~1774 | Vught [nb] | 0 | 0 | |||
| 5 | Johanna | ~1777 | Vught [nb] | 0 | 0 |
tr.
met
Simon Jan Baptist Peerboom, geb. te Reek [nb] circa 1765, ovl. (ongeveer 64 jaar oud) te Weert [li] op 11 dec 1829.
>