Gerret Braamcamp
Gerret Braamcamp Gerrit Braamcamp (Amsterdam, 18 november 1699 - Amsterdam, 17 juni 1771) was een succesvolle destillateur, houthandelaar en kunstverzamelaar. Hij behoorde tot de belangrijkste kooplieden van Amsterdam. Gerrit Braamcamp bouwde een soort imperium op met een houthandel en scheepstimmerwerf op het einde van de Hoogte Kadijk, tegenover de scheepswerven van de VOC op Oostenburg. De katholieke Braamcamp verzamelde in ongeveer dertig jaar tijd een belangrijke kunstcollectie van 17e-eeuwse hollandse schilders met 380 werken.[2] Hij stond op goede voet met de schilders Jacob de Wit, Cornelis Troost, Jan ten Compe, Jacob Xavery, Georges-François Blondel en de dichter Jan Baptista Wellekens. Van zijn collectie zijn nog maar slechts enkele werken in Nederlandse musea.
De oorsprong van de familie Braamcamp ligt in Rijssen. Zijn vader Jan (1671-1713) was in 1699 in een Amsterdamse schuilkerk getrouwd met Hendriena van Beeck (-1721), een weduwe, die woonde op de N.Z. Achterburgwal, nu de Spuistraat, en daar groeide Gerrit ook op tussen de fusten. Toen zijn moeder stierf werd Gerrit verantwoordelijk voor de opvoeding van twee broers. Bij zijn huwelijk in 1727 met de dochter van een ijzerhandelaar woonde Gerrit op de Herengracht. Het echtpaar kreeg twee kinderen die niet oud werden.
Gerrit was lid van het wijnkopersgilde in de Koestraat; zijn broer Rutger (1705-1782) was tapper in de Zoutsteeg bij het Damrak en lid van het kuipersgilde in de Barndesteeg bij de Nieuwmarkt. Hun broers Dirk (1701-1755) en Herman (1709-1775) woonden in Portugal. In 1736 begon Gerrit een houthandel aan het einde van de Nieuwe Vaart, genaamd 't Klaverblad. In oktober 1742 stierf zijn vrouw, Elisabeth Klumper, die in de Nieuwe kerk werd begraven. Braamcamp woonde inmiddels aan de Buitenkant en begon met verzamelen.
Vanaf 1750 gebruikte hij maar bewoonde ook mogelijk het zuidelijke gedeelte van het Trippenhuis voor zijn kunstcollectie.[9] Beneden bij de binnenplaats zat een suppoost.[10] In 1755 kocht hij het naastgelegen woonhuis op de Kloveniersburgwal voor 22.600 gulden van de erfgenamen van Tymen Jacobsz. Hinlopen uit een tak van de familie Hinlopen, die naar de Beemster was verhuisd. Hij kreeg bezoek van Frederik de Grote, die incognito door Holland reisde.
In 1758 kocht hij een pand genaamd Sweedenrijk op Herengracht 462 in de Gouden Bocht, dat hij liet verbouwen met een nieuwe "zaal". In dat zelfde jaar gaf hij opdracht tot de verbouwing van twee panden op de Kloveniersburgwal/Rusland tot een deftig logement genaamd het Wapen van Amsterdam, met een marmeren gang en dertig kamers. Bij het gebouw behoorde een veilingzaal. Het geheel zou pas in 1771 definitief gereed komen, maar schijnt al vanaf 1762 bezocht te zijn door buitenlanders.
In 1759 leende hij de Graaf van Gronsveld 10.000 gulden om een porseleinfabriek in Weesp op te zetten. Braamcamp was in het bezit van en zilveren servies in Lodewijk XV-stijl. In 1767 werd hij koopman op Portugal genoemd. In 1768 kwam Stadhouder Willem V met zijn vrouw en de hertog van Brunswijk op bezoek om de collectie te bekijken; in 1769 kwam de Corsicaanse vrijheidsstrijder Pascal Paoli langs om (opnieuw) zijn goede vriend James Boswell te treffen.
In 1766 verkocht hij een aantal schilderijen; er is een beroemde catalogus gedrukt, waarin 228 schilderijen zijn opgesomd, en met zijn portret op de titelpagina. In 1768 liet hij zijn tekeningen veilen. Toen hij ziek werd, besloot Braamcamp zijn gehele collectie te verkopen, maar stierf enkele weken voor de veiling plaats vond 31 juli 1771.[12] Er waren 12.000 toegangsbewijzen gedrukt en gedurende drie weken waren de kijkdagen; 20.000 mensen zouden langs zijn geweest. Op 6 augustus 1771 werden het zilverwerk, Chinees porselein en Japans lakwerk, etc. verkocht. Op 27 January 1772 en volgende Dagen werd nog een inboedelveiling gehouden.[13] De schilderijen en zijn bezit aan onroerend goed waren meer dan een miljoen waard.[14] De erfenis ging naar zijn neven in Portugal en de familie Staats. Catharina de Grote kocht op de veiling van Braamcamp een aantal werken van Paulus Potter en Gerard Dou, die verloren gingen 9 oktober 1771 tijdens de zeereis van de Vrouw Maria naar Sint Petersburg.[16] Al vanaf het vertrek had het kleine schip te maken met zware winden, storm en regen. In Helsingør had de kapitein de tol betaald en had de douane een beschrijving gemaakt van de lading die volgens de Deense registers bestond uit goederen als suiker, linnen, kaas, papier, zink en indigo. Het kostbaarste deel van de lading dat bestemd was voor het keizerlijke hof van Rusland was niet beschreven. Misschien was het geheim of vonden de autoriteiten het niet nodig om vervoer voor vorstenhuizen, dat over het algemeen tolvrij was, te beschrijven. Het schip kwam begin oktober in een zware storm, sloeg stuk op een rots en zonk na enige tijd naar de bodem van de zee. Het niet beschreven deel van de lading bestond uit circa 30 kostbare schilderijen van grote Nederlandse schilders als Rembrandt, Brueghel, Ter Borch, Jan Steen enz.[17] Het wrak is gelocaliseerd en in Kopenhagen zijn papieren met de lading gevonden.[18], geb. te Amsterdam [nl] op 18 nov 1699, ovl. (71 jaar oud) te Amsterdam [nl] Cerardus Staats, Rutgerus Braamcamp en Henrico Staats Cerardsz, resp. zwager, broeder en neef van den overledene, en voogden van de minderjarige
geïnstitueerden, b es o en 1 t de onroerende goederen in veiling te brengen, welke
auctie op 18 Januari 1772 plaats vond op 17 jul 1771.
- Vader:
Jan Braamcamp van Rijssen, zn. van Rutger Braamcamp en Theodora ten Winckel, geb. in 1671, wijnkoper, ovl. (ongeveer 42 jaar oud) in 1713, otr. (ongeveer 27 jaar oud) te Amsterdam [nl] DTB 701, p.120 op 16 jan 1699, tr. te Amsterdam [nl], kerk.huw. te Amsterdam [nl] in een schuilkerk.
otr. (resp. 27 en ongeveer 23 jaar oud) te Amsterdam [nl] DTB 716, p.70/Pui op 12 jun 1727, tr.
met
Elisabeth Clumper, dr. van Aernout Clumper en Cornelia Christina Triest, geb. in 1703, ged. te Amsterdam [nl] in de Mozes en Aaronkerk op 1 nov 1703 DTB 306 (getuigen: Dirck Clumper en Margaretha Clumper), ovl. (ongeveer 39 jaar oud) te Amsterdam [nl] in okt 1742, begr. te Amsterdam [nl] NK.
>
Dirck Clumper
Dirck Barentszn. Clumper, geb. in 1639.
otr. (resp. ongeveer 25 en ongeveer 22 jaar oud) te Amsterdam [nl] DTB 686, p.160/Pui op 31 dec 1664, tr.
met
Elisabeth Claes van den Bergh, geb. te Amsterdam [nl] in 1642, ovl. (ongeveer 44 jaar oud) in 1686, begr. te Amsterdam [nl] in de Nieuwezijds Kapel op 5 jul 1686.
Uit dit huwelijk 10 kinderen, waaronder:
>
Nicolaas Clumper
Nicolaas Clumper wijnkoper, ged. te Amsterdam [nl] DTB 304, p.90, Amsterdam, archief NL-SAA-908383 op 18 sep 1666.
- Vader:
Dirck Barentszn. Clumper, geb. in 1639, otr. (resp. ongeveer 25 en ongeveer 22 jaar oud) te Amsterdam [nl] DTB 686, p.160/Pui op 31 dec 1664, tr.
- Moeder:
Elisabeth Claes van den Bergh, geb. te Amsterdam [nl] in 1642, ovl. (ongeveer 44 jaar oud) in 1686, begr. te Amsterdam [nl] in de Nieuwezijds Kapel op 5 jul 1686.
otr. (resp. ongeveer 24 en ongeveer 19 jaar oud) te Amsterdam [nl] DTB 697, p.108 op 6 apr 1691, tr.
met
Ludewina Verhel, geb. in 1671.
Uit dit huwelijk 6 kinderen:
>
Gerrit van Beeck
Gerrit Maze van Beeck.
tr.
met
Willemien van Oghtrop.
Uit dit huwelijk een dochter:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Hendrina | | | †1721 | | | 2 | 6 |
>
Willemien van Oghtrop
Willemien van Oghtrop.
tr.
met
Gerrit Maze van Beeck.
Uit dit huwelijk een dochter:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Hendrina | | | †1721 | | | 2 | 6 |
>
Fredericus Alberdingk
Fredericus Alberdingk, geb. te Amsterdam [nl] in 1756, ged. te Amsterdam [nl] in de Statie De Toren op 23 dec 1756 Stadsarchief Amsterdam, DTB Dopen DTB 332, p.49(folio 25), nr.5, Amsterdam, archief NL-SAA-908411 (getuigen: Jacobus Klaessen en Henderina Boncke), kuiper en overman Kuipersgilde, ovl. (ongeveer 82 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 11 mei 1839.
tr. (resp. ongeveer 23 en 25 jaar oud) (1) te Amsterdam [nl] op 22 jun 1780
met
Catharina Elisabeth Been, dr. van Jan Hendrik Been en Hermina Rademaker, geb. te Amsterdam [nl] op 4 jan 1755, ovl. (68 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 5 dec 1823.
Uit dit huwelijk 3 kinderen:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Geertruida | ~1782 | Amsterdam [nl] | †1816 | Amsterdam [nl] | 34 | 1 | 1 |
| 2 | Johannes | ~1788 | Amsterdam [nl] | †1858 | Amsterdam [nl] | 69 | 2 | 5 |
| 3 | Bernardus | *1790 | Amsterdam [nl] | †1863 | Amsterdam [nl] | 72 | 2 | 1 |
otr. (2) te Amsterdam [nl], tr. (resp. ongeveer 68 en ongeveer 42 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 24 nov 1824
met
Anna Margaretha van der Putt, dr. van Hendrik van der Putt en Margaretha van der Linden, ged. te Amsterdam [nl] op 11 feb 1782, ovl. (ongeveer 71 jaar oud) te Rijsenburg [ut] op 7 dec 1853.
>
Elisabeth Reydon
Elisabeth Reydon, geb. te Haarlem [nh] op 17 feb 1788, ovl. (30 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 15 okt 1818.
tr. (resp. 22 en ongeveer 21 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 4 mrt 1810
met
Johannes Franciscus Alberdingk oprichter en lid van de firma F. Alberdingk & Zonen, oliefabrikanten te Amsterdam hij verkreeg in 1834 bij Koninklijk Besluit naamstoevoeging tot Alberdingk Thijm en werd zo de stamvader van die tak van de familie Alberdingk, zn. van Fredericus Alberdingk (kuiper en overman Kuipersgilde) en Catharina Elisabeth Been, ged. te Amsterdam [nl] op 22 okt 1788, ovl. (ongeveer 69 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 15 apr 1858, tr. (2) met Catharina Thijm. Uit dit huwelijk 4 kinderen.
Uit dit huwelijk een zoon:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Theodorus | *1813 | Amsterdam [nl] | †1881 | Bussum [nh] | 68 | 1 | 1 |
>
Anthonie Reydon
Anthonie Reydon.
tr.
met
Alida Cartharina van Oosterom.
Uit dit huwelijk een dochter:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Elisabeth | *1788 | Haarlem [nh] | †1818 | Amsterdam [nl] | 30 | 1 | 1 |
>
Alida Cartharina van Oosterom
Alida Cartharina van Oosterom.
tr.
met
Anthonie Reydon.
Uit dit huwelijk een dochter:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Elisabeth | *1788 | Haarlem [nh] | †1818 | Amsterdam [nl] | 30 | 1 | 1 |
>
Theodorus Joannes Alberdingk
Theodorus Joannes Alberdingk lid fa. F. Alberdingk & Zonen, oliefabrikanten, geb. te Amsterdam [nl] op 12 aug 1813, ovl. (68 jaar oud) te Bussum [nh] op 5 nov 1881.
- Vader:
Johannes Franciscus Alberdingk oprichter en lid van de firma F. Alberdingk & Zonen, oliefabrikanten te Amsterdam hij verkreeg in 1834 bij Koninklijk Besluit naamstoevoeging tot Alberdingk Thijm en werd zo de stamvader van die tak van de familie Alberdingk, zn. van Fredericus Alberdingk (kuiper en overman Kuipersgilde) en Catharina Elisabeth Been, ged. te Amsterdam [nl] op 22 okt 1788, ovl. (ongeveer 69 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 15 apr 1858, tr. (resp. ongeveer 31 en 25 jaar oud) (2) te Amsterdam [nl] op 28 okt 1819 met Catharina Thijm. Uit dit huwelijk 4 kinderen, tr. (resp. ongeveer 21 en 22 jaar oud) (1) te Amsterdam [nl] op 4 mrt 1810.
tr. (resp. 32 en 25 jaar oud) te Delft [zh] op 29 okt 1845
met
Catharina Joanna Maria van Berckel, dr. van Arnoldus Johannes van Berckel (koopman te Delft en regent RK Godshuizen) en Maria Johanna Bassoua, geb. te Delft [zh] op 3 jan 1820, ovl. (46 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 8 dec 1866.
Uit dit huwelijk een zoon:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Eduardus | *1850 | Amsterdam [nl] | †1911 | Amsterdam [nl] | 60 | 1 | 2 |
>
Catharina Joanna Maria van Berckel
Catharina Joanna Maria van Berckel, geb. te Delft [zh] op 3 jan 1820, ovl. (46 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 8 dec 1866.
tr. (resp. 25 en 32 jaar oud) te Delft [zh] op 29 okt 1845
met
Theodorus Joannes Alberdingk lid fa. F. Alberdingk & Zonen, oliefabrikanten, zn. van Johannes Franciscus Alberdingk en Elisabeth Reydon, geb. te Amsterdam [nl] op 12 aug 1813, ovl. (68 jaar oud) te Bussum [nh] op 5 nov 1881.
Uit dit huwelijk een zoon:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Eduardus | *1850 | Amsterdam [nl] | †1911 | Amsterdam [nl] | 60 | 1 | 2 |
>
Eduardus Maria Alberdingk
Eduardus Maria Alberdingk lid fa. F. Alberdingk & Zonen, oliefabrikanten te Amsterdam, geb. te Amsterdam [nl] op 4 nov 1850, ovl. (60 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 29 jul 1911.
tr. (resp. 25 en 24 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 3 okt 1876
met
Catharina Felicia Rosalia Cuypers, dr. van Petrus Josephus Hubertus Cuypers en Maria Rosalia van de Vin, geb. te Roermond [li] op 10 apr 1852, ovl. (83 jaar oud) te Laren [nh] op 14 mrt 1936.
Uit dit huwelijk 2 kinderen:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Theodorus | *1882 | Bussum [nh] | | | | 1 | 0 |
| 2 | Josepha | *1886 | Baarn [ut] | | | | 1 | 0 |
>
Catharina Felicia Rosalia Cuypers
Catharina Felicia Rosalia Cuypers, geb. te Roermond [li] op 10 apr 1852, ovl. (83 jaar oud) te Laren [nh] op 14 mrt 1936.
- Vader:
Petrus Josephus Hubertus Cuypers Cuijpers, Petrus Josephus Hubertus (bekend onder de naam Cuypers), architect (Roermond 16-5-1827 - Roermond 3-3-1921). Zoon van Joannes Hubertus Cuijpers, koopman en kerk-schilder, en Maria Joanna Bex. Gehuwd op 26-11-1850 met Maria Rosalia van de Vin. Uit dit huwelijk werden 2 dochters geboren. Na haar overlijden (7-11-1855) gehuwd op 1-3-1859 met Antoinette Catharine Thérèse Alberdingk Thijm (naamstoevoeging Thijm bij KB van 20-1-1834 nr. 56). Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 3 dochters geboren.
Het geslacht Cuypers was vanaf het midden van de 18de eeuw in Roermond woonachtig en had meermalen blijk gegeven van een artistieke aanleg. Aan Pierres opleiding werd dan ook door de ouders alle zorg besteed. Na zijn opleiding aan het Stedelijk College te Roermond vertrok de jonge Cuypers in 1844 naar Antwerpen om zich aan de Kunstacademie in de bouwkunde te bekwamen. De opvatting dat Cuypers zich hier min of meer tegen de verdrukking in tot neogoticus zou hebben ontwikkeld behoeft enige correctie: juist de Antwerpse leermeesters - Frans Andries Durlet, Frans Stoop en Ferdinand Berckmans - waren pioniers van de neogotiek in België. Cuypers was in Antwerpen een goede leerling: bij het slotconcours in 1849 behaalde hij de Prix d'excellence en met veel feestgedruis werd hij daarna in zijn geboortestad ingehaald.
Voor zijn verdere vorming had Cuypers in Roermond veel te danken aan zijn contacten met de notaris en oudheidkundige Charles Guillon. Hij kreeg spoedig opdracht het koor van de Munsterkerk te restaureren en een nieuw altaar te ontwerpen. In 1851 werd hij tot stadsarchitect benoemd en deed hij veel ervaring op bij het bouwen van enige woonhuizen in Roermond en het ontwerpen van de pastorieën van Venray en Veghel. In laatstgenoemde stad had hij in een kelder voor het eerst een kruisribgewelf aangebracht. Bij de eerste naar zijn ontwerp uitgevoerde kerk, te Oeffelt (Nb.) in 1853, paste hij dergelijke gewelven op grotere schaal toe. Niets wijst erop - al heeft Cuypers' latere vriend en beschermer Victor de Stuers dat wel eens zo voorgesteld - dat Cuypers bij dergelijke ondernemingen in ernstige botsing zou zijn gekomen met de toezichthoudende Waterstaatsingenieurs. De eerste pogingen van Cuypers de gotiek op meer structurele wijze toe te passen dateren van vóór Cuypers' contacten omstreeks 1854 met de Franse architect en theoreticus Eugène Emmanuel Viollet-le-Duc. Behalve door zijn opleiding te Antwerpen was hij ook beïnvloed door een bezoek aan het Rijngebied in 1850, waar de Keulse neogotische bouwschool zijn aandacht trok.
Na het succes van zijn eerste kerk kreeg Cuypers veel opdrachten voor restauratie en nieuwbouw, waardoor zijn bekendheid ook buiten Roermond toenam. Voorts stichtte hij in 1852 met Fr. Stolzenberg een atelier voor kerkelijke kunst, dat een kolossale produktie van kerkmeubelen en beeldhouwwerken op zijn naam heeft staan. Bij verdere restauratie van de Munsterkerk in Roermond was Cuypers tot de overtuiging gekomen dat deze kerk oorspronkelijk met twee westtorens ontworpen was geweest, zodat hij besloot het gebouw in de aanvankelijk bedoelde toestand te reconstrueren. Dit leidde echter tot een felle polemiek - waarin hij o.a. Guilon en de architect Ch. Weber tegen zich vond - maar door interventie van o.a. Viollet-le-Duc, die persoonlijk op het strijdtoneel verscheen, konden de tegenstanders worden verslagen en werd de reconstructiebouw doorgezet (1864-1867). Latere generaties hebben de rigoureuze behandeling van het gebouw te ingrijpend gevonden. Nochtans verdient Cuypers' restauratie als negentiende-eeuwse schepping waardering. Dat Cuypers zo spoedig bekendheid verwierf, is mede te danken aan de invloed van de bekende katholieke auteur Joseph Alberdingk Thijm, die in zijn periodiek Dietsche Warande onophoudelijk propaganda maakte voor het bouwen in een zuiver opgevatte gotische stijl.
Naarmate Cuypers' actieradius zich uitbreidde, bleek Roermond te excentrisch te liggen. In 1865 vestigde hij zich in Amsterdam en van hieruit zou hij zijn werkterrein aanzienlijk verbreden. Dat Cuypers daarbij wel eens op weerstand stuitte was reeds gebleken in de jaren '60, toen zijn bekroond ontwerp voor het monument op Plein 1813 in Den Haag als te 'rooms' werd afgewezen. Hiertegenover stond echter veel erkenning, ook in het buitenland. Zo werd hij in 1870 benoemd tot Dombaumeister in Mainz, waar hij de oostelijke koepel van de dom bouwde. Vele andere Duitse opdrachten volgden. In Nederland had Victor de Stuers inmiddels zijn geruchtmakend artikel 'Holland op zijn smalst' in De Gids (1873) gepubliceerd en het regeringsbeleid, ook op het gebied van het behoud van historische gebouwen, geducht over de hekel gehaald. Hierop werd in 1874 een commissie van rijksadviseurs voor het kunst- en wetenschapsbeleid opgericht en in 1875 kreeg het departement van Binnenlandse Zaken speciaal voor kunsten en wetenschappen een nieuwe afdeling onder leiding van De Stuers. Cuypers werd lid van het College van Rijksadviseurs voor de monumenten van geschiedenis en kunst, en zo kwam een nauwe samenwerking tussen Cuypers en De Stuers tot stand. Te zamen ontplooiden zij grote activiteit. Dit veroorzaakte binnen het College veel argwaan - er werd zelfs gesproken van een ultramontaans complot - zodat in 1879 het College ontbonden moest worden. Hierdoor kreeg het duo De Stuers-Cuyper, echter juist meer invloed.
Ondertussen had Cuypers door bemiddeling van De Stuers meegedaan aan een besloten wedstrijd voor een ontwerp voor de bouw van het Rijksmuseum in Amsterdam, waarbij het ontwerp van Cuypers werd bekroond (1876) en uitgevoerd. Ook nu liepen de critici te hoop, de Koning zelf zou hebben verklaard dat hij nooit een voet in dat 'klooster' zou zetten. Na enige tijd luwde de kritiek en in 1885 kon het museum in gebruik genomen worden. Hoewel Cuypers hierna weinig gebouwen voor de rijksoverheid tot stand heeft gebracht, bleef zijn invloed, vooral bij de beide rijksbouwmeesters, C.H. Peters en J. van Lokhorst, duidelijk merkbaar. Dat hij overigens ook na het Rijksmuseum nog belangrijke opdrachten voor het ontwerpen van openbare gebouwen kreeg, blijkt uit de bouw van het Centraal Station in Amsterdam, waarmee hij in 1881 begon.
Twee beginselen zijn karakteristiek voor Cuypers' werk. In de eerste plaats het principe van een rationeel gebruik van bouwmaterialen en constructie. Alle architectonische vormen dienden gerechtvaardigd te worden door een constructieve noodzaak, zoals ook Viollet-le-Duc meende. Daarnaast was Cuypers, in tegenstelling tot de agnostisch ingestelde Viollet-le-Duc, een diep religieus man die dat ook in zijn werk wilde uiten. Zelf schreef hij niet veel over zijn opvattingen, maar in Thijm had hij zijn theoretisch leidsman gevonden. Voortbouwend op de symbolische beschouwingen van Duitse en Engelse auteurs, kwam Thijm tot verklaringen van de architectonische elementen van het kerkgebouw die verder gingen dan in de middeleeuwen gebruikelijk was. Zo wilde Thijm de bij middeleeuwse kathedralen dikwijls voorkomende verschillen tussen de twee fronttorens, zoals in Chartres, uitleggen als symbolen van twee verschillende titels van Maria: de ivoren toren en de toren van David. Dit had tot gevolg dat Cuypers, wanneer hij meer torens aan een kerk aanbracht, deze vrijwel altijd onderling verschillend van vorm maakte.
In Cuypers' oeuvre laten zich twee perioden onderscheiden. In de eerste, die eindigt omstreeks 1870, overheersen de vormen ontleend aan de Franse gotiek van de dertiende eeuw. Dit hangt samen met de opvattingen van Thijm dat de voortbrengselen van de Nederlandse gotiek uit een late en daarom decadent te achten periode stamden en daardoor niet voor navolging in aanmerking kwamen. Een goed voorbeeld van deze kerkbouw is de St. Lambertus te Veghel, die Cuypers tussen 1856 en 1862 bouwde: de kerk heeft een echte kathedrale plattegrond, met kooromgang en straalkapellen, en is voorzien van een toren waarvan de bovenbouw is geïnspireerd op de kathedraal van Chartres. Een andere kerk met een duidelijk kathedrale opzet is de St. Catharina te Eindhoven, die niet alleen was voorzien van een omgang met straalkapellen, maar ook van twee torens. Het weelderigst opgezet was wel Cuypers' St. Willibrordus buiten de Veste in Amsterdam (begonnen 1864), met een centrale kruisingskoepel, een koor met omgang, en maar liefst zes torens, alle verschillend van vorm. Het gebouw werd nooit voltooid en is in 1969 afgebroken. De eerste doorhem gebouwde kerken waren inwendig gepleisterd en gepolychromeerd. In de Alkmaarse St. Laurentius en de St. Catharina te Eindhoven werd het interieur als schoon werk beschouwd. In zijn latere werk heeft Cuypers dit steeds vaker gedaan, waarbij hij graag gebruik maakte van de mogelijkheden om met verschillend getinte baksteen bijzondere kleureffecten te bereiken.
In de tweede periode, sinds 1870, neemt de Franse invloed bij Cuypers iets af en wordt zijn werk eclectischer. Hij neemt nu meer elementen over uit de Nederlandse gotische tradities, mede geïnspireerd door het Utrechtse Sint Bernulphusgilde, dat sterk de nadruk legde op de betekenis van nationale bouwtradities. Een van zijn merkwaardigste scheppingen, de Vondelkerk in Amsterdam (1870), ligt nog in de overgang tussen beide periodes. Over de herkomst van haar merkwaardige centraliserende plattegrond is veel gespeculeerd. Echt Hollands zou men de St. Hippolytus te Delft (1884, gesloopt 1974) kunnen noemen, duidelijk geïnspireerd door de late gotiek van het in de Hollandse kuststreek voorkomende kerktype. Het brede middenschip van de St. Dominicus te Amsterdam (1884) werd beïnvloed door de Italiaanse gotiek van de Santa Croce te Florence. Ook experimenteerde hij met centraliserende plattegronden, o.a. in Lutjebroek (1876) en Oisterwijk (1893).
Bij zijn restauraties streefde hij naar een reconstructie volgens de ideale principes van de oorspronkelijke stijl en trachtte hij een gebouw stijlzuiverder en vollediger te maken dan het in het verleden ooit geweest was. Wel heel ver ging Cuypers bij de herstelwerkzaamheden aan het kasteel De Haar bij Haarzuilens (1892), die in feite neerkwamen op een herbouw volgens Cuypers' zienswijze.
Zonder aan de verdiensten van andere Nederlandse architecten van zijn tijd te kort te doen moet men toch vaststellen dat Cuypers de eerste Nederlandse architect van internationale betekenis in de moderne tijd is geweest. Zijn betekenis voor de ontwikkeling der bouwkunst is vooral daarin gelegen dat hij de principes van een rationele architectuur op consequente wijze heeft toegepast en daarmee de bouwkunst in Nederland op internationaal peil heeft gebracht. Daarnaast was voor hem de symbolische en religieuze betekenis van een gebouw ook van groot belang. Dat een bouwkundige schepping meer is dan constructie alleen is steeds zijn uitgangspunt geweest. Cuypers' kunstenaarschap ontving veel erkenning, hetgeen bleek uit de verlening van een eredoctoraat in de letteren door de Rijksuniversiteit te Utrecht in 1886 en in 1907 het doctoraat honoris causa in de technische wetenschappen te Delft. Van zijn leerlingen kunnen genoemd worden zijn zoon J.Th.J. Cuypers (1861-1949), E.J. Margry (1841-1891), Nicolaas Molenaar (1850-1930) en Jan Stuyt (1868-1934), wier activiteiten voornamelijk op het gebied van de kerkbouw lagen, alsmede K.P.C. de Bazel (1869-1932) en J.M.L. Lauweriks (1869-1923).
A: Tekeningenarchief in het Documentatiecentrum voor de Nederlandse Bouwkunst te Amsterdam. Persoonlijk archief Cuijpers in Gemeentearchief Roermond.
P: Behalve diverse artikelen in vaktijdschriften: Het Rijks-Museum te Amsterdam. Tekst van Victor de Stuers. Platen van P.J.H. Cuypers (Amsterdam, [1896-1898]); Le château de Haar à Haarzuylens (Utrecht, 1909).
L: Victor de Stuers, 'Dr. P.J.H. Cuypers', in Mannen en vrouwen van beteekenis in onze dagen. Bijeengebr. door E.D. Pijzel 28 (1897) 187-228; Het werk van Dr. P.J.H. Cuypers, 1827-1917 (Amsterdam, 1917) met een vrij uitvoerige werklijst; Cuypersnummer van Het Gildeboek 4 (1920/ '21) 49-112; Cuypersnummer van Limburg's Jaarboek 23 (1927) 3 - 104; Gerard Brom, Herleving van de kerkelike kunst in katholiek Nederland (Leiden, 1933); M.K.J. Smeets, 'Legendevorming omtrent 19e eeuwse gewelfbouw?', in De Maasgouw 72 (1958) 43 - 55; H.P.R. Rosenberg, 'De neogotiek van Cuypers en Tepe', in Bulletin van de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond 10 (1971) 1 - 14; idem, De 19de-eeuwse kerkelijke bouwkunst in Nederland ('s-Gravenhage, 1972); S. de Blaauw, 'Een negentiende-eeuwse Magister Operum. Pierre Cuypers en de bouwkunst van de Middeleeuwen', in Excursiones mediaevales. Opstellen aangeboden aan Prof.Dr. A.G. Jongkees door zijn leerlingen (Groningen, 1979) 13 - 38; G. Hoogewoud, J.J. Kuyt, A. Oxenaar, P.J.H. Cuypers en Amsterdam: gebouwen en ontwerpen 1860-1898 (['s-Gravenhage], 1985).
I: F.J. Duparc, Een eeuw strijd voor Nederlands cultureel erfgoed ('s-Gravenhage 1975) [Afbeelding 19; Pierre Cuijpers circa 1880].
A.J. Looyenga, zn. van Johannes Hubertus Cuypers (kunst- en huisschilder) en Maria Johanna Bex, geb. te Roermond [li] op 16 mei 1827, ovl. (93 jaar oud) te Roermond [li] op 3 mrt 1921, tr. (2) met Antoinette Cathérine Thérèse Alberdingk Thijm zangeres, dr. van Johannes Franciscus Alberdingk en Catharina Thijm. Uit dit huwelijk 5 kinderen, waaronder, tr. (resp. 23 en 24 jaar oud) (1) op 26 nov 1850.
tr. (resp. 24 en 25 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 3 okt 1876
met
Eduardus Maria Alberdingk lid fa. F. Alberdingk & Zonen, oliefabrikanten te Amsterdam, zn. van Theodorus Joannes Alberdingk en Catharina Joanna Maria van Berckel, geb. te Amsterdam [nl] op 4 nov 1850, ovl. (60 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 29 jul 1911.
Uit dit huwelijk 2 kinderen:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Theodorus | *1882 | Bussum [nh] | | | | 1 | 0 |
| 2 | Josepha | *1886 | Baarn [ut] | | | | 1 | 0 |
>
Petrus Josephus Hubertus Cuypers
Petrus Josephus Hubertus Cuypers Cuijpers, Petrus Josephus Hubertus (bekend onder de naam Cuypers), architect (Roermond 16-5-1827 - Roermond 3-3-1921). Zoon van Joannes Hubertus Cuijpers, koopman en kerk-schilder, en Maria Joanna Bex. Gehuwd op 26-11-1850 met Maria Rosalia van de Vin. Uit dit huwelijk werden 2 dochters geboren. Na haar overlijden (7-11-1855) gehuwd op 1-3-1859 met Antoinette Catharine Thérèse Alberdingk Thijm (naamstoevoeging Thijm bij KB van 20-1-1834 nr. 56). Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 3 dochters geboren.
Het geslacht Cuypers was vanaf het midden van de 18de eeuw in Roermond woonachtig en had meermalen blijk gegeven van een artistieke aanleg. Aan Pierres opleiding werd dan ook door de ouders alle zorg besteed. Na zijn opleiding aan het Stedelijk College te Roermond vertrok de jonge Cuypers in 1844 naar Antwerpen om zich aan de Kunstacademie in de bouwkunde te bekwamen. De opvatting dat Cuypers zich hier min of meer tegen de verdrukking in tot neogoticus zou hebben ontwikkeld behoeft enige correctie: juist de Antwerpse leermeesters - Frans Andries Durlet, Frans Stoop en Ferdinand Berckmans - waren pioniers van de neogotiek in België. Cuypers was in Antwerpen een goede leerling: bij het slotconcours in 1849 behaalde hij de Prix d'excellence en met veel feestgedruis werd hij daarna in zijn geboortestad ingehaald.
Voor zijn verdere vorming had Cuypers in Roermond veel te danken aan zijn contacten met de notaris en oudheidkundige Charles Guillon. Hij kreeg spoedig opdracht het koor van de Munsterkerk te restaureren en een nieuw altaar te ontwerpen. In 1851 werd hij tot stadsarchitect benoemd en deed hij veel ervaring op bij het bouwen van enige woonhuizen in Roermond en het ontwerpen van de pastorieën van Venray en Veghel. In laatstgenoemde stad had hij in een kelder voor het eerst een kruisribgewelf aangebracht. Bij de eerste naar zijn ontwerp uitgevoerde kerk, te Oeffelt (Nb.) in 1853, paste hij dergelijke gewelven op grotere schaal toe. Niets wijst erop - al heeft Cuypers' latere vriend en beschermer Victor de Stuers dat wel eens zo voorgesteld - dat Cuypers bij dergelijke ondernemingen in ernstige botsing zou zijn gekomen met de toezichthoudende Waterstaatsingenieurs. De eerste pogingen van Cuypers de gotiek op meer structurele wijze toe te passen dateren van vóór Cuypers' contacten omstreeks 1854 met de Franse architect en theoreticus Eugène Emmanuel Viollet-le-Duc. Behalve door zijn opleiding te Antwerpen was hij ook beïnvloed door een bezoek aan het Rijngebied in 1850, waar de Keulse neogotische bouwschool zijn aandacht trok.
Na het succes van zijn eerste kerk kreeg Cuypers veel opdrachten voor restauratie en nieuwbouw, waardoor zijn bekendheid ook buiten Roermond toenam. Voorts stichtte hij in 1852 met Fr. Stolzenberg een atelier voor kerkelijke kunst, dat een kolossale produktie van kerkmeubelen en beeldhouwwerken op zijn naam heeft staan. Bij verdere restauratie van de Munsterkerk in Roermond was Cuypers tot de overtuiging gekomen dat deze kerk oorspronkelijk met twee westtorens ontworpen was geweest, zodat hij besloot het gebouw in de aanvankelijk bedoelde toestand te reconstrueren. Dit leidde echter tot een felle polemiek - waarin hij o.a. Guilon en de architect Ch. Weber tegen zich vond - maar door interventie van o.a. Viollet-le-Duc, die persoonlijk op het strijdtoneel verscheen, konden de tegenstanders worden verslagen en werd de reconstructiebouw doorgezet (1864-1867). Latere generaties hebben de rigoureuze behandeling van het gebouw te ingrijpend gevonden. Nochtans verdient Cuypers' restauratie als negentiende-eeuwse schepping waardering. Dat Cuypers zo spoedig bekendheid verwierf, is mede te danken aan de invloed van de bekende katholieke auteur Joseph Alberdingk Thijm, die in zijn periodiek Dietsche Warande onophoudelijk propaganda maakte voor het bouwen in een zuiver opgevatte gotische stijl.
Naarmate Cuypers' actieradius zich uitbreidde, bleek Roermond te excentrisch te liggen. In 1865 vestigde hij zich in Amsterdam en van hieruit zou hij zijn werkterrein aanzienlijk verbreden. Dat Cuypers daarbij wel eens op weerstand stuitte was reeds gebleken in de jaren '60, toen zijn bekroond ontwerp voor het monument op Plein 1813 in Den Haag als te 'rooms' werd afgewezen. Hiertegenover stond echter veel erkenning, ook in het buitenland. Zo werd hij in 1870 benoemd tot Dombaumeister in Mainz, waar hij de oostelijke koepel van de dom bouwde. Vele andere Duitse opdrachten volgden. In Nederland had Victor de Stuers inmiddels zijn geruchtmakend artikel 'Holland op zijn smalst' in De Gids (1873) gepubliceerd en het regeringsbeleid, ook op het gebied van het behoud van historische gebouwen, geducht over de hekel gehaald. Hierop werd in 1874 een commissie van rijksadviseurs voor het kunst- en wetenschapsbeleid opgericht en in 1875 kreeg het departement van Binnenlandse Zaken speciaal voor kunsten en wetenschappen een nieuwe afdeling onder leiding van De Stuers. Cuypers werd lid van het College van Rijksadviseurs voor de monumenten van geschiedenis en kunst, en zo kwam een nauwe samenwerking tussen Cuypers en De Stuers tot stand. Te zamen ontplooiden zij grote activiteit. Dit veroorzaakte binnen het College veel argwaan - er werd zelfs gesproken van een ultramontaans complot - zodat in 1879 het College ontbonden moest worden. Hierdoor kreeg het duo De Stuers-Cuyper, echter juist meer invloed.
Ondertussen had Cuypers door bemiddeling van De Stuers meegedaan aan een besloten wedstrijd voor een ontwerp voor de bouw van het Rijksmuseum in Amsterdam, waarbij het ontwerp van Cuypers werd bekroond (1876) en uitgevoerd. Ook nu liepen de critici te hoop, de Koning zelf zou hebben verklaard dat hij nooit een voet in dat 'klooster' zou zetten. Na enige tijd luwde de kritiek en in 1885 kon het museum in gebruik genomen worden. Hoewel Cuypers hierna weinig gebouwen voor de rijksoverheid tot stand heeft gebracht, bleef zijn invloed, vooral bij de beide rijksbouwmeesters, C.H. Peters en J. van Lokhorst, duidelijk merkbaar. Dat hij overigens ook na het Rijksmuseum nog belangrijke opdrachten voor het ontwerpen van openbare gebouwen kreeg, blijkt uit de bouw van het Centraal Station in Amsterdam, waarmee hij in 1881 begon.
Twee beginselen zijn karakteristiek voor Cuypers' werk. In de eerste plaats het principe van een rationeel gebruik van bouwmaterialen en constructie. Alle architectonische vormen dienden gerechtvaardigd te worden door een constructieve noodzaak, zoals ook Viollet-le-Duc meende. Daarnaast was Cuypers, in tegenstelling tot de agnostisch ingestelde Viollet-le-Duc, een diep religieus man die dat ook in zijn werk wilde uiten. Zelf schreef hij niet veel over zijn opvattingen, maar in Thijm had hij zijn theoretisch leidsman gevonden. Voortbouwend op de symbolische beschouwingen van Duitse en Engelse auteurs, kwam Thijm tot verklaringen van de architectonische elementen van het kerkgebouw die verder gingen dan in de middeleeuwen gebruikelijk was. Zo wilde Thijm de bij middeleeuwse kathedralen dikwijls voorkomende verschillen tussen de twee fronttorens, zoals in Chartres, uitleggen als symbolen van twee verschillende titels van Maria: de ivoren toren en de toren van David. Dit had tot gevolg dat Cuypers, wanneer hij meer torens aan een kerk aanbracht, deze vrijwel altijd onderling verschillend van vorm maakte.
In Cuypers' oeuvre laten zich twee perioden onderscheiden. In de eerste, die eindigt omstreeks 1870, overheersen de vormen ontleend aan de Franse gotiek van de dertiende eeuw. Dit hangt samen met de opvattingen van Thijm dat de voortbrengselen van de Nederlandse gotiek uit een late en daarom decadent te achten periode stamden en daardoor niet voor navolging in aanmerking kwamen. Een goed voorbeeld van deze kerkbouw is de St. Lambertus te Veghel, die Cuypers tussen 1856 en 1862 bouwde: de kerk heeft een echte kathedrale plattegrond, met kooromgang en straalkapellen, en is voorzien van een toren waarvan de bovenbouw is geïnspireerd op de kathedraal van Chartres. Een andere kerk met een duidelijk kathedrale opzet is de St. Catharina te Eindhoven, die niet alleen was voorzien van een omgang met straalkapellen, maar ook van twee torens. Het weelderigst opgezet was wel Cuypers' St. Willibrordus buiten de Veste in Amsterdam (begonnen 1864), met een centrale kruisingskoepel, een koor met omgang, en maar liefst zes torens, alle verschillend van vorm. Het gebouw werd nooit voltooid en is in 1969 afgebroken. De eerste doorhem gebouwde kerken waren inwendig gepleisterd en gepolychromeerd. In de Alkmaarse St. Laurentius en de St. Catharina te Eindhoven werd het interieur als schoon werk beschouwd. In zijn latere werk heeft Cuypers dit steeds vaker gedaan, waarbij hij graag gebruik maakte van de mogelijkheden om met verschillend getinte baksteen bijzondere kleureffecten te bereiken.
In de tweede periode, sinds 1870, neemt de Franse invloed bij Cuypers iets af en wordt zijn werk eclectischer. Hij neemt nu meer elementen over uit de Nederlandse gotische tradities, mede geïnspireerd door het Utrechtse Sint Bernulphusgilde, dat sterk de nadruk legde op de betekenis van nationale bouwtradities. Een van zijn merkwaardigste scheppingen, de Vondelkerk in Amsterdam (1870), ligt nog in de overgang tussen beide periodes. Over de herkomst van haar merkwaardige centraliserende plattegrond is veel gespeculeerd. Echt Hollands zou men de St. Hippolytus te Delft (1884, gesloopt 1974) kunnen noemen, duidelijk geïnspireerd door de late gotiek van het in de Hollandse kuststreek voorkomende kerktype. Het brede middenschip van de St. Dominicus te Amsterdam (1884) werd beïnvloed door de Italiaanse gotiek van de Santa Croce te Florence. Ook experimenteerde hij met centraliserende plattegronden, o.a. in Lutjebroek (1876) en Oisterwijk (1893).
Bij zijn restauraties streefde hij naar een reconstructie volgens de ideale principes van de oorspronkelijke stijl en trachtte hij een gebouw stijlzuiverder en vollediger te maken dan het in het verleden ooit geweest was. Wel heel ver ging Cuypers bij de herstelwerkzaamheden aan het kasteel De Haar bij Haarzuilens (1892), die in feite neerkwamen op een herbouw volgens Cuypers' zienswijze.
Zonder aan de verdiensten van andere Nederlandse architecten van zijn tijd te kort te doen moet men toch vaststellen dat Cuypers de eerste Nederlandse architect van internationale betekenis in de moderne tijd is geweest. Zijn betekenis voor de ontwikkeling der bouwkunst is vooral daarin gelegen dat hij de principes van een rationele architectuur op consequente wijze heeft toegepast en daarmee de bouwkunst in Nederland op internationaal peil heeft gebracht. Daarnaast was voor hem de symbolische en religieuze betekenis van een gebouw ook van groot belang. Dat een bouwkundige schepping meer is dan constructie alleen is steeds zijn uitgangspunt geweest. Cuypers' kunstenaarschap ontving veel erkenning, hetgeen bleek uit de verlening van een eredoctoraat in de letteren door de Rijksuniversiteit te Utrecht in 1886 en in 1907 het doctoraat honoris causa in de technische wetenschappen te Delft. Van zijn leerlingen kunnen genoemd worden zijn zoon J.Th.J. Cuypers (1861-1949), E.J. Margry (1841-1891), Nicolaas Molenaar (1850-1930) en Jan Stuyt (1868-1934), wier activiteiten voornamelijk op het gebied van de kerkbouw lagen, alsmede K.P.C. de Bazel (1869-1932) en J.M.L. Lauweriks (1869-1923).
A: Tekeningenarchief in het Documentatiecentrum voor de Nederlandse Bouwkunst te Amsterdam. Persoonlijk archief Cuijpers in Gemeentearchief Roermond.
P: Behalve diverse artikelen in vaktijdschriften: Het Rijks-Museum te Amsterdam. Tekst van Victor de Stuers. Platen van P.J.H. Cuypers (Amsterdam, [1896-1898]); Le château de Haar à Haarzuylens (Utrecht, 1909).
L: Victor de Stuers, 'Dr. P.J.H. Cuypers', in Mannen en vrouwen van beteekenis in onze dagen. Bijeengebr. door E.D. Pijzel 28 (1897) 187-228; Het werk van Dr. P.J.H. Cuypers, 1827-1917 (Amsterdam, 1917) met een vrij uitvoerige werklijst; Cuypersnummer van Het Gildeboek 4 (1920/ '21) 49-112; Cuypersnummer van Limburg's Jaarboek 23 (1927) 3 - 104; Gerard Brom, Herleving van de kerkelike kunst in katholiek Nederland (Leiden, 1933); M.K.J. Smeets, 'Legendevorming omtrent 19e eeuwse gewelfbouw?', in De Maasgouw 72 (1958) 43 - 55; H.P.R. Rosenberg, 'De neogotiek van Cuypers en Tepe', in Bulletin van de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond 10 (1971) 1 - 14; idem, De 19de-eeuwse kerkelijke bouwkunst in Nederland ('s-Gravenhage, 1972); S. de Blaauw, 'Een negentiende-eeuwse Magister Operum. Pierre Cuypers en de bouwkunst van de Middeleeuwen', in Excursiones mediaevales. Opstellen aangeboden aan Prof.Dr. A.G. Jongkees door zijn leerlingen (Groningen, 1979) 13 - 38; G. Hoogewoud, J.J. Kuyt, A. Oxenaar, P.J.H. Cuypers en Amsterdam: gebouwen en ontwerpen 1860-1898 (['s-Gravenhage], 1985).
I: F.J. Duparc, Een eeuw strijd voor Nederlands cultureel erfgoed ('s-Gravenhage 1975) [Afbeelding 19; Pierre Cuijpers circa 1880].
A.J. Looyenga, geb. te Roermond [li] op 16 mei 1827, ovl. (93 jaar oud) te Roermond [li] op 3 mrt 1921.
tr. (resp. 23 en 24 jaar oud) (1) op 26 nov 1850
met
Maria Rosalia van de Vin, dr. van Petrus Johannes van de Vin en Catharina Beukeleers, geb. te Antwerpen [b, België] op 7 dec 1825, ovl. (29 jaar oud) te Roermond [li] op 7 nov 1855.
Uit dit huwelijk 2 kinderen, waaronder:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Catharina | *1852 | Roermond [li] | †1936 | Laren [nh] | 83 | 1 | 2 |
tr. (resp. 31 en 28 jaar oud) (2) te Amsterdam [nl] op 1 mrt 1859
met
Antoinette Cathérine Thérèse Alberdingk Thijm zangeres, dr. van Johannes Franciscus Alberdingk en Catharina Thijm, geb. te Amsterdam [nl] op 15 mrt 1830, ovl. (67 jaar oud) te Roermond [li] op 7 jan 1898.
Uit dit huwelijk 5 kinderen, waaronder:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Josephus | *1861 | Roermond [li] | †1949 | Meerssen [li] | 87 | 1 | 5 |
| 2 | Anna | *1874 | Amsterdam [nl] | | | | 1 | 0 |
>
Maria Rosalia van de Vin
Maria Rosalia van de Vin, geb. te Antwerpen [b, België] op 7 dec 1825, ovl. (29 jaar oud) te Roermond [li] op 7 nov 1855.
tr. (resp. 24 en 23 jaar oud) op 26 nov 1850
met
Petrus Josephus Hubertus Cuypers Cuijpers, Petrus Josephus Hubertus (bekend onder de naam Cuypers), architect (Roermond 16-5-1827 - Roermond 3-3-1921). Zoon van Joannes Hubertus Cuijpers, koopman en kerk-schilder, en Maria Joanna Bex. Gehuwd op 26-11-1850 met Maria Rosalia van de Vin. Uit dit huwelijk werden 2 dochters geboren. Na haar overlijden (7-11-1855) gehuwd op 1-3-1859 met Antoinette Catharine Thérèse Alberdingk Thijm (naamstoevoeging Thijm bij KB van 20-1-1834 nr. 56). Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 3 dochters geboren.
Het geslacht Cuypers was vanaf het midden van de 18de eeuw in Roermond woonachtig en had meermalen blijk gegeven van een artistieke aanleg. Aan Pierres opleiding werd dan ook door de ouders alle zorg besteed. Na zijn opleiding aan het Stedelijk College te Roermond vertrok de jonge Cuypers in 1844 naar Antwerpen om zich aan de Kunstacademie in de bouwkunde te bekwamen. De opvatting dat Cuypers zich hier min of meer tegen de verdrukking in tot neogoticus zou hebben ontwikkeld behoeft enige correctie: juist de Antwerpse leermeesters - Frans Andries Durlet, Frans Stoop en Ferdinand Berckmans - waren pioniers van de neogotiek in België. Cuypers was in Antwerpen een goede leerling: bij het slotconcours in 1849 behaalde hij de Prix d'excellence en met veel feestgedruis werd hij daarna in zijn geboortestad ingehaald.
Voor zijn verdere vorming had Cuypers in Roermond veel te danken aan zijn contacten met de notaris en oudheidkundige Charles Guillon. Hij kreeg spoedig opdracht het koor van de Munsterkerk te restaureren en een nieuw altaar te ontwerpen. In 1851 werd hij tot stadsarchitect benoemd en deed hij veel ervaring op bij het bouwen van enige woonhuizen in Roermond en het ontwerpen van de pastorieën van Venray en Veghel. In laatstgenoemde stad had hij in een kelder voor het eerst een kruisribgewelf aangebracht. Bij de eerste naar zijn ontwerp uitgevoerde kerk, te Oeffelt (Nb.) in 1853, paste hij dergelijke gewelven op grotere schaal toe. Niets wijst erop - al heeft Cuypers' latere vriend en beschermer Victor de Stuers dat wel eens zo voorgesteld - dat Cuypers bij dergelijke ondernemingen in ernstige botsing zou zijn gekomen met de toezichthoudende Waterstaatsingenieurs. De eerste pogingen van Cuypers de gotiek op meer structurele wijze toe te passen dateren van vóór Cuypers' contacten omstreeks 1854 met de Franse architect en theoreticus Eugène Emmanuel Viollet-le-Duc. Behalve door zijn opleiding te Antwerpen was hij ook beïnvloed door een bezoek aan het Rijngebied in 1850, waar de Keulse neogotische bouwschool zijn aandacht trok.
Na het succes van zijn eerste kerk kreeg Cuypers veel opdrachten voor restauratie en nieuwbouw, waardoor zijn bekendheid ook buiten Roermond toenam. Voorts stichtte hij in 1852 met Fr. Stolzenberg een atelier voor kerkelijke kunst, dat een kolossale produktie van kerkmeubelen en beeldhouwwerken op zijn naam heeft staan. Bij verdere restauratie van de Munsterkerk in Roermond was Cuypers tot de overtuiging gekomen dat deze kerk oorspronkelijk met twee westtorens ontworpen was geweest, zodat hij besloot het gebouw in de aanvankelijk bedoelde toestand te reconstrueren. Dit leidde echter tot een felle polemiek - waarin hij o.a. Guilon en de architect Ch. Weber tegen zich vond - maar door interventie van o.a. Viollet-le-Duc, die persoonlijk op het strijdtoneel verscheen, konden de tegenstanders worden verslagen en werd de reconstructiebouw doorgezet (1864-1867). Latere generaties hebben de rigoureuze behandeling van het gebouw te ingrijpend gevonden. Nochtans verdient Cuypers' restauratie als negentiende-eeuwse schepping waardering. Dat Cuypers zo spoedig bekendheid verwierf, is mede te danken aan de invloed van de bekende katholieke auteur Joseph Alberdingk Thijm, die in zijn periodiek Dietsche Warande onophoudelijk propaganda maakte voor het bouwen in een zuiver opgevatte gotische stijl.
Naarmate Cuypers' actieradius zich uitbreidde, bleek Roermond te excentrisch te liggen. In 1865 vestigde hij zich in Amsterdam en van hieruit zou hij zijn werkterrein aanzienlijk verbreden. Dat Cuypers daarbij wel eens op weerstand stuitte was reeds gebleken in de jaren '60, toen zijn bekroond ontwerp voor het monument op Plein 1813 in Den Haag als te 'rooms' werd afgewezen. Hiertegenover stond echter veel erkenning, ook in het buitenland. Zo werd hij in 1870 benoemd tot Dombaumeister in Mainz, waar hij de oostelijke koepel van de dom bouwde. Vele andere Duitse opdrachten volgden. In Nederland had Victor de Stuers inmiddels zijn geruchtmakend artikel 'Holland op zijn smalst' in De Gids (1873) gepubliceerd en het regeringsbeleid, ook op het gebied van het behoud van historische gebouwen, geducht over de hekel gehaald. Hierop werd in 1874 een commissie van rijksadviseurs voor het kunst- en wetenschapsbeleid opgericht en in 1875 kreeg het departement van Binnenlandse Zaken speciaal voor kunsten en wetenschappen een nieuwe afdeling onder leiding van De Stuers. Cuypers werd lid van het College van Rijksadviseurs voor de monumenten van geschiedenis en kunst, en zo kwam een nauwe samenwerking tussen Cuypers en De Stuers tot stand. Te zamen ontplooiden zij grote activiteit. Dit veroorzaakte binnen het College veel argwaan - er werd zelfs gesproken van een ultramontaans complot - zodat in 1879 het College ontbonden moest worden. Hierdoor kreeg het duo De Stuers-Cuyper, echter juist meer invloed.
Ondertussen had Cuypers door bemiddeling van De Stuers meegedaan aan een besloten wedstrijd voor een ontwerp voor de bouw van het Rijksmuseum in Amsterdam, waarbij het ontwerp van Cuypers werd bekroond (1876) en uitgevoerd. Ook nu liepen de critici te hoop, de Koning zelf zou hebben verklaard dat hij nooit een voet in dat 'klooster' zou zetten. Na enige tijd luwde de kritiek en in 1885 kon het museum in gebruik genomen worden. Hoewel Cuypers hierna weinig gebouwen voor de rijksoverheid tot stand heeft gebracht, bleef zijn invloed, vooral bij de beide rijksbouwmeesters, C.H. Peters en J. van Lokhorst, duidelijk merkbaar. Dat hij overigens ook na het Rijksmuseum nog belangrijke opdrachten voor het ontwerpen van openbare gebouwen kreeg, blijkt uit de bouw van het Centraal Station in Amsterdam, waarmee hij in 1881 begon.
Twee beginselen zijn karakteristiek voor Cuypers' werk. In de eerste plaats het principe van een rationeel gebruik van bouwmaterialen en constructie. Alle architectonische vormen dienden gerechtvaardigd te worden door een constructieve noodzaak, zoals ook Viollet-le-Duc meende. Daarnaast was Cuypers, in tegenstelling tot de agnostisch ingestelde Viollet-le-Duc, een diep religieus man die dat ook in zijn werk wilde uiten. Zelf schreef hij niet veel over zijn opvattingen, maar in Thijm had hij zijn theoretisch leidsman gevonden. Voortbouwend op de symbolische beschouwingen van Duitse en Engelse auteurs, kwam Thijm tot verklaringen van de architectonische elementen van het kerkgebouw die verder gingen dan in de middeleeuwen gebruikelijk was. Zo wilde Thijm de bij middeleeuwse kathedralen dikwijls voorkomende verschillen tussen de twee fronttorens, zoals in Chartres, uitleggen als symbolen van twee verschillende titels van Maria: de ivoren toren en de toren van David. Dit had tot gevolg dat Cuypers, wanneer hij meer torens aan een kerk aanbracht, deze vrijwel altijd onderling verschillend van vorm maakte.
In Cuypers' oeuvre laten zich twee perioden onderscheiden. In de eerste, die eindigt omstreeks 1870, overheersen de vormen ontleend aan de Franse gotiek van de dertiende eeuw. Dit hangt samen met de opvattingen van Thijm dat de voortbrengselen van de Nederlandse gotiek uit een late en daarom decadent te achten periode stamden en daardoor niet voor navolging in aanmerking kwamen. Een goed voorbeeld van deze kerkbouw is de St. Lambertus te Veghel, die Cuypers tussen 1856 en 1862 bouwde: de kerk heeft een echte kathedrale plattegrond, met kooromgang en straalkapellen, en is voorzien van een toren waarvan de bovenbouw is geïnspireerd op de kathedraal van Chartres. Een andere kerk met een duidelijk kathedrale opzet is de St. Catharina te Eindhoven, die niet alleen was voorzien van een omgang met straalkapellen, maar ook van twee torens. Het weelderigst opgezet was wel Cuypers' St. Willibrordus buiten de Veste in Amsterdam (begonnen 1864), met een centrale kruisingskoepel, een koor met omgang, en maar liefst zes torens, alle verschillend van vorm. Het gebouw werd nooit voltooid en is in 1969 afgebroken. De eerste doorhem gebouwde kerken waren inwendig gepleisterd en gepolychromeerd. In de Alkmaarse St. Laurentius en de St. Catharina te Eindhoven werd het interieur als schoon werk beschouwd. In zijn latere werk heeft Cuypers dit steeds vaker gedaan, waarbij hij graag gebruik maakte van de mogelijkheden om met verschillend getinte baksteen bijzondere kleureffecten te bereiken.
In de tweede periode, sinds 1870, neemt de Franse invloed bij Cuypers iets af en wordt zijn werk eclectischer. Hij neemt nu meer elementen over uit de Nederlandse gotische tradities, mede geïnspireerd door het Utrechtse Sint Bernulphusgilde, dat sterk de nadruk legde op de betekenis van nationale bouwtradities. Een van zijn merkwaardigste scheppingen, de Vondelkerk in Amsterdam (1870), ligt nog in de overgang tussen beide periodes. Over de herkomst van haar merkwaardige centraliserende plattegrond is veel gespeculeerd. Echt Hollands zou men de St. Hippolytus te Delft (1884, gesloopt 1974) kunnen noemen, duidelijk geïnspireerd door de late gotiek van het in de Hollandse kuststreek voorkomende kerktype. Het brede middenschip van de St. Dominicus te Amsterdam (1884) werd beïnvloed door de Italiaanse gotiek van de Santa Croce te Florence. Ook experimenteerde hij met centraliserende plattegronden, o.a. in Lutjebroek (1876) en Oisterwijk (1893).
Bij zijn restauraties streefde hij naar een reconstructie volgens de ideale principes van de oorspronkelijke stijl en trachtte hij een gebouw stijlzuiverder en vollediger te maken dan het in het verleden ooit geweest was. Wel heel ver ging Cuypers bij de herstelwerkzaamheden aan het kasteel De Haar bij Haarzuilens (1892), die in feite neerkwamen op een herbouw volgens Cuypers' zienswijze.
Zonder aan de verdiensten van andere Nederlandse architecten van zijn tijd te kort te doen moet men toch vaststellen dat Cuypers de eerste Nederlandse architect van internationale betekenis in de moderne tijd is geweest. Zijn betekenis voor de ontwikkeling der bouwkunst is vooral daarin gelegen dat hij de principes van een rationele architectuur op consequente wijze heeft toegepast en daarmee de bouwkunst in Nederland op internationaal peil heeft gebracht. Daarnaast was voor hem de symbolische en religieuze betekenis van een gebouw ook van groot belang. Dat een bouwkundige schepping meer is dan constructie alleen is steeds zijn uitgangspunt geweest. Cuypers' kunstenaarschap ontving veel erkenning, hetgeen bleek uit de verlening van een eredoctoraat in de letteren door de Rijksuniversiteit te Utrecht in 1886 en in 1907 het doctoraat honoris causa in de technische wetenschappen te Delft. Van zijn leerlingen kunnen genoemd worden zijn zoon J.Th.J. Cuypers (1861-1949), E.J. Margry (1841-1891), Nicolaas Molenaar (1850-1930) en Jan Stuyt (1868-1934), wier activiteiten voornamelijk op het gebied van de kerkbouw lagen, alsmede K.P.C. de Bazel (1869-1932) en J.M.L. Lauweriks (1869-1923).
A: Tekeningenarchief in het Documentatiecentrum voor de Nederlandse Bouwkunst te Amsterdam. Persoonlijk archief Cuijpers in Gemeentearchief Roermond.
P: Behalve diverse artikelen in vaktijdschriften: Het Rijks-Museum te Amsterdam. Tekst van Victor de Stuers. Platen van P.J.H. Cuypers (Amsterdam, [1896-1898]); Le château de Haar à Haarzuylens (Utrecht, 1909).
L: Victor de Stuers, 'Dr. P.J.H. Cuypers', in Mannen en vrouwen van beteekenis in onze dagen. Bijeengebr. door E.D. Pijzel 28 (1897) 187-228; Het werk van Dr. P.J.H. Cuypers, 1827-1917 (Amsterdam, 1917) met een vrij uitvoerige werklijst; Cuypersnummer van Het Gildeboek 4 (1920/ '21) 49-112; Cuypersnummer van Limburg's Jaarboek 23 (1927) 3 - 104; Gerard Brom, Herleving van de kerkelike kunst in katholiek Nederland (Leiden, 1933); M.K.J. Smeets, 'Legendevorming omtrent 19e eeuwse gewelfbouw?', in De Maasgouw 72 (1958) 43 - 55; H.P.R. Rosenberg, 'De neogotiek van Cuypers en Tepe', in Bulletin van de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond 10 (1971) 1 - 14; idem, De 19de-eeuwse kerkelijke bouwkunst in Nederland ('s-Gravenhage, 1972); S. de Blaauw, 'Een negentiende-eeuwse Magister Operum. Pierre Cuypers en de bouwkunst van de Middeleeuwen', in Excursiones mediaevales. Opstellen aangeboden aan Prof.Dr. A.G. Jongkees door zijn leerlingen (Groningen, 1979) 13 - 38; G. Hoogewoud, J.J. Kuyt, A. Oxenaar, P.J.H. Cuypers en Amsterdam: gebouwen en ontwerpen 1860-1898 (['s-Gravenhage], 1985).
I: F.J. Duparc, Een eeuw strijd voor Nederlands cultureel erfgoed ('s-Gravenhage 1975) [Afbeelding 19; Pierre Cuijpers circa 1880].
A.J. Looyenga, zn. van Johannes Hubertus Cuypers (kunst- en huisschilder) en Maria Johanna Bex, geb. te Roermond [li] op 16 mei 1827, ovl. (93 jaar oud) te Roermond [li] op 3 mrt 1921, tr. (2) met Antoinette Cathérine Thérèse Alberdingk Thijm zangeres. Uit dit huwelijk 5 kinderen, waaronder.
Uit dit huwelijk 2 kinderen, waaronder:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Catharina | *1852 | Roermond [li] | †1936 | Laren [nh] | 83 | 1 | 2 |
>
Maria Johanna Bex
Maria Johanna Bex, geb. te Schinveld [li] op 18 feb 1781, ovl. (93 jaar oud) te Roermond [li] op 21 feb 1874.
- Vader:
Godefridus Bex, geb. te Schinveld [li] in 1743, ovl. (ongeveer 62 jaar oud) te Heinsberg [Duitsland] in 1805, tr. (ongeveer 27 jaar oud) te Jabeek [li] op 8 jan 1771.
tr. (resp. 23 en 35 jaar oud) te Roermond [li] op 25 jan 1805
met
Johannes Hubertus Cuypers, zn. van Gerardus Jacobus Cuypers (bakker) en Cornelia Steijn, geb. te Roermond [li] op 3 nov 1769, kunst- en huisschilder, ovl. (88 jaar oud) te Roermond [li] op 12 feb 1858.
Uit dit huwelijk 9 kinderen, waaronder:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Henri | *1813 | Roermond [li] | | | | 1 | 0 |
| 2 | Petrus | *1827 | Roermond [li] | †1921 | Roermond [li] | 93 | 2 | 7 |
>
Catharina Elisabeth Been
Catharina Elisabeth Been, geb. te Amsterdam [nl] op 4 jan 1755, ovl. (68 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 5 dec 1823.
- Vader:
Jan Hendrik Been, geb. in 1710, ovl. (ongeveer 72 jaar oud) te Amsterdam [nl] in 1782, tr. (resp. ongeveer 30 en ongeveer 26 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 27 apr 1741.
tr. (resp. 25 en ongeveer 23 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 22 jun 1780
met
Fredericus Alberdingk, zn. van Johannes Heinrich Alberdingk en Gertrudis Klaessen, geb. te Amsterdam [nl] in 1756, ged. te Amsterdam [nl] in de Statie De Toren op 23 dec 1756 Stadsarchief Amsterdam, DTB Dopen DTB 332, p.49(folio 25), nr.5, Amsterdam, archief NL-SAA-908411 (getuigen: Jacobus Klaessen en Henderina Boncke), kuiper en overman Kuipersgilde, ovl. (ongeveer 82 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 11 mei 1839, tr. (2) met Anna Margaretha van der Putt. Uit dit huwelijk geen kinderen.
Uit dit huwelijk 3 kinderen:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Geertruida | ~1782 | Amsterdam [nl] | †1816 | Amsterdam [nl] | 34 | 1 | 1 |
| 2 | Johannes | ~1788 | Amsterdam [nl] | †1858 | Amsterdam [nl] | 69 | 2 | 5 |
| 3 | Bernardus | *1790 | Amsterdam [nl] | †1863 | Amsterdam [nl] | 72 | 2 | 1 |
>
Anna Margaretha van der Putt
Anna Margaretha van der Putt, ged. te Amsterdam [nl] op 11 feb 1782, ovl. (ongeveer 71 jaar oud) te Rijsenburg [ut] op 7 dec 1853.
- Vader:
Hendrik van der Putt, geb. te Amsterdam [nl] in 1741, tr. (resp. ongeveer 34 en ongeveer 20 jaar oud) in 1775.
otr. te Amsterdam [nl], tr. (resp. ongeveer 42 en ongeveer 68 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 24 nov 1824
met
Fredericus Alberdingk, zn. van Johannes Heinrich Alberdingk en Gertrudis Klaessen, geb. te Amsterdam [nl] in 1756, ged. te Amsterdam [nl] in de Statie De Toren op 23 dec 1756 Stadsarchief Amsterdam, DTB Dopen DTB 332, p.49(folio 25), nr.5, Amsterdam, archief NL-SAA-908411 (getuigen: Jacobus Klaessen en Henderina Boncke), kuiper en overman Kuipersgilde, ovl. (ongeveer 82 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 11 mei 1839, tr. (1) met Catharina Elisabeth Been, dr. van Jan Hendrik Been en Hermina Rademaker. Uit dit huwelijk 3 kinderen.
>
Josephus Albertus Alberdingk Thijm
Josephus Albertus Alberdingk Thijm doctor h.c. Gem.-univ, lid fa. C. L. van Langenhuysen, boekh.en uitg. te Amsterdam, hoogl. Rijksacad. voor Beeld. Kunsten ald, letterkundige, geb. te Amsterdam [nl] op 10 aug 1820, ovl. (68 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 17 mrt 1889.
- Vader:
Johannes Franciscus Alberdingk oprichter en lid van de firma F. Alberdingk & Zonen, oliefabrikanten te Amsterdam hij verkreeg in 1834 bij Koninklijk Besluit naamstoevoeging tot Alberdingk Thijm en werd zo de stamvader van die tak van de familie Alberdingk, zn. van Fredericus Alberdingk (kuiper en overman Kuipersgilde) en Catharina Elisabeth Been, ged. te Amsterdam [nl] op 22 okt 1788, ovl. (ongeveer 69 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 15 apr 1858, tr. (1) met Elisabeth Reydon. Uit dit huwelijk een zoon, tr. (resp. ongeveer 31 en 25 jaar oud) (2) te Amsterdam [nl] op 28 okt 1819.
tr. (resp. 25 en 21 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 28 mei 1846
met
Wilhelmina Anna Sophia Kerst, dr. van Johann Frederik Kerst en Sophia Angelica Pflug, geb. te Doesburg [ge] op 3 jun 1824, ovl. (69 jaar oud) te Hoogerheide [nb] op 13 jan 1894.
Uit dit huwelijk 4 kinderen, waaronder:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Karel | *1864 | Amsterdam [nl] | †1952 | Haarlem [nh] | 87 | 1 | 2 |
>
Lambertus Joannes Alberdingk Thijm
Lambertus Joannes Alberdingk Thijm, geb. te Amsterdam [nl] op 30 sep 1823, toondichter, ovl. (31 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 1 dec 1854.
- Vader:
Johannes Franciscus Alberdingk oprichter en lid van de firma F. Alberdingk & Zonen, oliefabrikanten te Amsterdam hij verkreeg in 1834 bij Koninklijk Besluit naamstoevoeging tot Alberdingk Thijm en werd zo de stamvader van die tak van de familie Alberdingk, zn. van Fredericus Alberdingk (kuiper en overman Kuipersgilde) en Catharina Elisabeth Been, ged. te Amsterdam [nl] op 22 okt 1788, ovl. (ongeveer 69 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 15 apr 1858, tr. (resp. ongeveer 21 en 22 jaar oud) (1) te Amsterdam [nl] op 4 mrt 1810 met Elisabeth Reydon. Uit dit huwelijk een zoon, tr. (resp. ongeveer 31 en 25 jaar oud) (2) te Amsterdam [nl] op 28 okt 1819.
tr. (resp. 24 en 23 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 14 sep 1848
met
Charlotte Woldina Maria Slaghek, dr. van Egbertus Rudolphus Slaghek (wijnhandelaar) en Maria Theodora Schuppen, geb. te Amsterdam [nl] op 21 apr 1825, ovl. (76 jaar oud) te Soest [ut] op 4 aug 1901, tr. (resp. 34 en ongeveer 51 jaar oud) (2) te Amsterdam [nl] op 27 okt 1859 met Franciscus Kuyper, zn. van Aart Kuyper en Betje Nepohaagen, geb. in 1808, ged. te Baarn [ut] op 3 nov 1808, geneesheer te Soest, ovl. (ongeveer 70 jaar oud) te Soest [ut] in 1878. Uit dit huwelijk geen kinderen.
Uit dit huwelijk 4 kinderen, waaronder:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Maria | *1854 | Amsterdam [nl] | †1931 | | 76 | 1 | 0 |
>