Johannes Jacobus Josephus Hermanus van Erven Dorens
Johannes Jacobus Josephus Hermanus van Erven Dorens, geb. te Amsterdam [nl] op 23 sep 1802, ovl. (56 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 20 okt 1858.
- Vader:
Walterus van Erven, geb. te Tilburg [nb] op 3 jul 1767, ovl. (83 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 18 mrt 1851, tr. (resp. ongeveer 31 en ongeveer 19 jaar oud) vermoedelijk te Amsterdam [nl] in 1799.
tr. (resp. 25 en ongeveer 19 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 8 mei 1828
met
Maria Anna Westerwoudt, dr. van Joannes Bernardus Westerwoudt (boekhouder R.C. Maagdenhuis te Amsterdam 1807-1835) en Anna Theresia Bouvy, geb. in 1808, ged. te Amsterdam [nl] in de Mozes en Aäronkerk op 22 apr 1808, ovl. (ongeveer 71 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 25 dec 1879.
Uit dit huwelijk 5 kinderen.
>
Walterus van Erven
Walterus van Erven, geb. te Tilburg [nb] op 3 jul 1767, ovl. (83 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 18 mrt 1851.
tr. (resp. ongeveer 31 en ongeveer 19 jaar oud) vermoedelijk te Amsterdam [nl] in 1799
met
Bernardina Maria Susanna Dorens, geb. in 1780, ovl. (ongeveer 68 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 21 mrt 1849.
Uit dit huwelijk 2 kinderen:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Johannes | *1802 | Amsterdam [nl] | †1858 | Amsterdam [nl] | 56 | 1 | 5 |
| 2 | Susanna | *1808 | Amsterdam [nl] | †1874 | Beverwijk [nh] | 66 | 1 | 12 |
>
Bernardina Maria Susanna Dorens
Bernardina Maria Susanna Dorens, geb. in 1780, ovl. (ongeveer 68 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 21 mrt 1849.
tr. (resp. ongeveer 19 en ongeveer 31 jaar oud) vermoedelijk te Amsterdam [nl] in 1799
met
Walterus van Erven, geb. te Tilburg [nb] op 3 jul 1767, ovl. (83 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 18 mrt 1851.
Uit dit huwelijk 2 kinderen:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Johannes | *1802 | Amsterdam [nl] | †1858 | Amsterdam [nl] | 56 | 1 | 5 |
| 2 | Susanna | *1808 | Amsterdam [nl] | †1874 | Beverwijk [nh] | 66 | 1 | 12 |
>
Ida Paulina Huberta Tielens
Ida Paulina Huberta Tielens, geb. te Maastricht [li] op 6 aug 1827, ovl. (77 jaar oud) te Boxmeer [nb] op 9 mei 1905.
tr. (resp. 27 en 37 jaar oud) te Maastricht [li] op 5 sep 1854
met
Johannes Baptista Josephus Hengst, zn. van Johannes Anthonius Hengst en Maria Agatha Hoctin, geb. te Boxmeer [nb] op 23 jun 1817, advocaat, politicus, burgemeester, ovl. (74 jaar oud) te Boxmeer [nb] op 23 mrt 1892, tr. (1) met Cornelia Anna Hendrika Huberta de Kesschietre van Havre. Uit dit huwelijk een zoon.
>
Philiberti Johannes Hoctin
Philiberti Johannes Hoctin, geb. te Vierlingsbeek [nb] op 17 nov 1754, arts/uitvinder van de Urbanuspillen, ovl. (93 jaar oud) te Boxmeer [nb] op 26 jan 1848.
tr. (ongeveer 28 jaar oud) te Hasselt [li] in 1783
met
Maria Elisabeth Kamps.
Uit dit huwelijk een dochter:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Maria | *1786 | Boxmeer [nb] | †1819 | Boxmeer [nb] | 32 | 1 | 11 |
>
Maria Elisabeth Kamps
Maria Elisabeth Kamps.
tr. (Philiberti ongeveer 28 jaar oud) te Hasselt [li] in 1783
met
Philiberti Johannes Hoctin, geb. te Vierlingsbeek [nb] op 17 nov 1754, arts/uitvinder van de Urbanuspillen, ovl. (93 jaar oud) te Boxmeer [nb] op 26 jan 1848.
Uit dit huwelijk een dochter:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Maria | *1786 | Boxmeer [nb] | †1819 | Boxmeer [nb] | 32 | 1 | 11 |
>
Theodore Willem Frederik Alfred Mathon
Theodore Willem Frederik Alfred Mathon, geb. te Maastricht [li] circa 1865, ambtenaar kantongerecht te Breda, ovl. (ongeveer 78 jaar oud) te Vught [nb] op 15 mei 1944.
tr. (resp. ongeveer 33 en ongeveer 24 jaar oud) te Roermond [li] op 3 sep 1898
met
Anna Josepha Maria Theodora Cuypers, dr. van Petrus Josephus Hubertus Cuypers en Antoinette Cathérine Thérèse Alberdingk Thijm, geb. te Amsterdam [nl] circa 1874.
>
Anna Josepha Maria Theodora Cuypers
Anna Josepha Maria Theodora Cuypers, geb. te Amsterdam [nl] circa 1874.
- Vader:
Petrus Josephus Hubertus Cuypers Cuijpers, Petrus Josephus Hubertus (bekend onder de naam Cuypers), architect (Roermond 16-5-1827 - Roermond 3-3-1921). Zoon van Joannes Hubertus Cuijpers, koopman en kerk-schilder, en Maria Joanna Bex. Gehuwd op 26-11-1850 met Maria Rosalia van de Vin. Uit dit huwelijk werden 2 dochters geboren. Na haar overlijden (7-11-1855) gehuwd op 1-3-1859 met Antoinette Catharine Thérèse Alberdingk Thijm (naamstoevoeging Thijm bij KB van 20-1-1834 nr. 56). Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 3 dochters geboren.
Het geslacht Cuypers was vanaf het midden van de 18de eeuw in Roermond woonachtig en had meermalen blijk gegeven van een artistieke aanleg. Aan Pierres opleiding werd dan ook door de ouders alle zorg besteed. Na zijn opleiding aan het Stedelijk College te Roermond vertrok de jonge Cuypers in 1844 naar Antwerpen om zich aan de Kunstacademie in de bouwkunde te bekwamen. De opvatting dat Cuypers zich hier min of meer tegen de verdrukking in tot neogoticus zou hebben ontwikkeld behoeft enige correctie: juist de Antwerpse leermeesters - Frans Andries Durlet, Frans Stoop en Ferdinand Berckmans - waren pioniers van de neogotiek in België. Cuypers was in Antwerpen een goede leerling: bij het slotconcours in 1849 behaalde hij de Prix d'excellence en met veel feestgedruis werd hij daarna in zijn geboortestad ingehaald.
Voor zijn verdere vorming had Cuypers in Roermond veel te danken aan zijn contacten met de notaris en oudheidkundige Charles Guillon. Hij kreeg spoedig opdracht het koor van de Munsterkerk te restaureren en een nieuw altaar te ontwerpen. In 1851 werd hij tot stadsarchitect benoemd en deed hij veel ervaring op bij het bouwen van enige woonhuizen in Roermond en het ontwerpen van de pastorieën van Venray en Veghel. In laatstgenoemde stad had hij in een kelder voor het eerst een kruisribgewelf aangebracht. Bij de eerste naar zijn ontwerp uitgevoerde kerk, te Oeffelt (Nb.) in 1853, paste hij dergelijke gewelven op grotere schaal toe. Niets wijst erop - al heeft Cuypers' latere vriend en beschermer Victor de Stuers dat wel eens zo voorgesteld - dat Cuypers bij dergelijke ondernemingen in ernstige botsing zou zijn gekomen met de toezichthoudende Waterstaatsingenieurs. De eerste pogingen van Cuypers de gotiek op meer structurele wijze toe te passen dateren van vóór Cuypers' contacten omstreeks 1854 met de Franse architect en theoreticus Eugène Emmanuel Viollet-le-Duc. Behalve door zijn opleiding te Antwerpen was hij ook beïnvloed door een bezoek aan het Rijngebied in 1850, waar de Keulse neogotische bouwschool zijn aandacht trok.
Na het succes van zijn eerste kerk kreeg Cuypers veel opdrachten voor restauratie en nieuwbouw, waardoor zijn bekendheid ook buiten Roermond toenam. Voorts stichtte hij in 1852 met Fr. Stolzenberg een atelier voor kerkelijke kunst, dat een kolossale produktie van kerkmeubelen en beeldhouwwerken op zijn naam heeft staan. Bij verdere restauratie van de Munsterkerk in Roermond was Cuypers tot de overtuiging gekomen dat deze kerk oorspronkelijk met twee westtorens ontworpen was geweest, zodat hij besloot het gebouw in de aanvankelijk bedoelde toestand te reconstrueren. Dit leidde echter tot een felle polemiek - waarin hij o.a. Guilon en de architect Ch. Weber tegen zich vond - maar door interventie van o.a. Viollet-le-Duc, die persoonlijk op het strijdtoneel verscheen, konden de tegenstanders worden verslagen en werd de reconstructiebouw doorgezet (1864-1867). Latere generaties hebben de rigoureuze behandeling van het gebouw te ingrijpend gevonden. Nochtans verdient Cuypers' restauratie als negentiende-eeuwse schepping waardering. Dat Cuypers zo spoedig bekendheid verwierf, is mede te danken aan de invloed van de bekende katholieke auteur Joseph Alberdingk Thijm, die in zijn periodiek Dietsche Warande onophoudelijk propaganda maakte voor het bouwen in een zuiver opgevatte gotische stijl.
Naarmate Cuypers' actieradius zich uitbreidde, bleek Roermond te excentrisch te liggen. In 1865 vestigde hij zich in Amsterdam en van hieruit zou hij zijn werkterrein aanzienlijk verbreden. Dat Cuypers daarbij wel eens op weerstand stuitte was reeds gebleken in de jaren '60, toen zijn bekroond ontwerp voor het monument op Plein 1813 in Den Haag als te 'rooms' werd afgewezen. Hiertegenover stond echter veel erkenning, ook in het buitenland. Zo werd hij in 1870 benoemd tot Dombaumeister in Mainz, waar hij de oostelijke koepel van de dom bouwde. Vele andere Duitse opdrachten volgden. In Nederland had Victor de Stuers inmiddels zijn geruchtmakend artikel 'Holland op zijn smalst' in De Gids (1873) gepubliceerd en het regeringsbeleid, ook op het gebied van het behoud van historische gebouwen, geducht over de hekel gehaald. Hierop werd in 1874 een commissie van rijksadviseurs voor het kunst- en wetenschapsbeleid opgericht en in 1875 kreeg het departement van Binnenlandse Zaken speciaal voor kunsten en wetenschappen een nieuwe afdeling onder leiding van De Stuers. Cuypers werd lid van het College van Rijksadviseurs voor de monumenten van geschiedenis en kunst, en zo kwam een nauwe samenwerking tussen Cuypers en De Stuers tot stand. Te zamen ontplooiden zij grote activiteit. Dit veroorzaakte binnen het College veel argwaan - er werd zelfs gesproken van een ultramontaans complot - zodat in 1879 het College ontbonden moest worden. Hierdoor kreeg het duo De Stuers-Cuyper, echter juist meer invloed.
Ondertussen had Cuypers door bemiddeling van De Stuers meegedaan aan een besloten wedstrijd voor een ontwerp voor de bouw van het Rijksmuseum in Amsterdam, waarbij het ontwerp van Cuypers werd bekroond (1876) en uitgevoerd. Ook nu liepen de critici te hoop, de Koning zelf zou hebben verklaard dat hij nooit een voet in dat 'klooster' zou zetten. Na enige tijd luwde de kritiek en in 1885 kon het museum in gebruik genomen worden. Hoewel Cuypers hierna weinig gebouwen voor de rijksoverheid tot stand heeft gebracht, bleef zijn invloed, vooral bij de beide rijksbouwmeesters, C.H. Peters en J. van Lokhorst, duidelijk merkbaar. Dat hij overigens ook na het Rijksmuseum nog belangrijke opdrachten voor het ontwerpen van openbare gebouwen kreeg, blijkt uit de bouw van het Centraal Station in Amsterdam, waarmee hij in 1881 begon.
Twee beginselen zijn karakteristiek voor Cuypers' werk. In de eerste plaats het principe van een rationeel gebruik van bouwmaterialen en constructie. Alle architectonische vormen dienden gerechtvaardigd te worden door een constructieve noodzaak, zoals ook Viollet-le-Duc meende. Daarnaast was Cuypers, in tegenstelling tot de agnostisch ingestelde Viollet-le-Duc, een diep religieus man die dat ook in zijn werk wilde uiten. Zelf schreef hij niet veel over zijn opvattingen, maar in Thijm had hij zijn theoretisch leidsman gevonden. Voortbouwend op de symbolische beschouwingen van Duitse en Engelse auteurs, kwam Thijm tot verklaringen van de architectonische elementen van het kerkgebouw die verder gingen dan in de middeleeuwen gebruikelijk was. Zo wilde Thijm de bij middeleeuwse kathedralen dikwijls voorkomende verschillen tussen de twee fronttorens, zoals in Chartres, uitleggen als symbolen van twee verschillende titels van Maria: de ivoren toren en de toren van David. Dit had tot gevolg dat Cuypers, wanneer hij meer torens aan een kerk aanbracht, deze vrijwel altijd onderling verschillend van vorm maakte.
In Cuypers' oeuvre laten zich twee perioden onderscheiden. In de eerste, die eindigt omstreeks 1870, overheersen de vormen ontleend aan de Franse gotiek van de dertiende eeuw. Dit hangt samen met de opvattingen van Thijm dat de voortbrengselen van de Nederlandse gotiek uit een late en daarom decadent te achten periode stamden en daardoor niet voor navolging in aanmerking kwamen. Een goed voorbeeld van deze kerkbouw is de St. Lambertus te Veghel, die Cuypers tussen 1856 en 1862 bouwde: de kerk heeft een echte kathedrale plattegrond, met kooromgang en straalkapellen, en is voorzien van een toren waarvan de bovenbouw is geïnspireerd op de kathedraal van Chartres. Een andere kerk met een duidelijk kathedrale opzet is de St. Catharina te Eindhoven, die niet alleen was voorzien van een omgang met straalkapellen, maar ook van twee torens. Het weelderigst opgezet was wel Cuypers' St. Willibrordus buiten de Veste in Amsterdam (begonnen 1864), met een centrale kruisingskoepel, een koor met omgang, en maar liefst zes torens, alle verschillend van vorm. Het gebouw werd nooit voltooid en is in 1969 afgebroken. De eerste doorhem gebouwde kerken waren inwendig gepleisterd en gepolychromeerd. In de Alkmaarse St. Laurentius en de St. Catharina te Eindhoven werd het interieur als schoon werk beschouwd. In zijn latere werk heeft Cuypers dit steeds vaker gedaan, waarbij hij graag gebruik maakte van de mogelijkheden om met verschillend getinte baksteen bijzondere kleureffecten te bereiken.
In de tweede periode, sinds 1870, neemt de Franse invloed bij Cuypers iets af en wordt zijn werk eclectischer. Hij neemt nu meer elementen over uit de Nederlandse gotische tradities, mede geïnspireerd door het Utrechtse Sint Bernulphusgilde, dat sterk de nadruk legde op de betekenis van nationale bouwtradities. Een van zijn merkwaardigste scheppingen, de Vondelkerk in Amsterdam (1870), ligt nog in de overgang tussen beide periodes. Over de herkomst van haar merkwaardige centraliserende plattegrond is veel gespeculeerd. Echt Hollands zou men de St. Hippolytus te Delft (1884, gesloopt 1974) kunnen noemen, duidelijk geïnspireerd door de late gotiek van het in de Hollandse kuststreek voorkomende kerktype. Het brede middenschip van de St. Dominicus te Amsterdam (1884) werd beïnvloed door de Italiaanse gotiek van de Santa Croce te Florence. Ook experimenteerde hij met centraliserende plattegronden, o.a. in Lutjebroek (1876) en Oisterwijk (1893).
Bij zijn restauraties streefde hij naar een reconstructie volgens de ideale principes van de oorspronkelijke stijl en trachtte hij een gebouw stijlzuiverder en vollediger te maken dan het in het verleden ooit geweest was. Wel heel ver ging Cuypers bij de herstelwerkzaamheden aan het kasteel De Haar bij Haarzuilens (1892), die in feite neerkwamen op een herbouw volgens Cuypers' zienswijze.
Zonder aan de verdiensten van andere Nederlandse architecten van zijn tijd te kort te doen moet men toch vaststellen dat Cuypers de eerste Nederlandse architect van internationale betekenis in de moderne tijd is geweest. Zijn betekenis voor de ontwikkeling der bouwkunst is vooral daarin gelegen dat hij de principes van een rationele architectuur op consequente wijze heeft toegepast en daarmee de bouwkunst in Nederland op internationaal peil heeft gebracht. Daarnaast was voor hem de symbolische en religieuze betekenis van een gebouw ook van groot belang. Dat een bouwkundige schepping meer is dan constructie alleen is steeds zijn uitgangspunt geweest. Cuypers' kunstenaarschap ontving veel erkenning, hetgeen bleek uit de verlening van een eredoctoraat in de letteren door de Rijksuniversiteit te Utrecht in 1886 en in 1907 het doctoraat honoris causa in de technische wetenschappen te Delft. Van zijn leerlingen kunnen genoemd worden zijn zoon J.Th.J. Cuypers (1861-1949), E.J. Margry (1841-1891), Nicolaas Molenaar (1850-1930) en Jan Stuyt (1868-1934), wier activiteiten voornamelijk op het gebied van de kerkbouw lagen, alsmede K.P.C. de Bazel (1869-1932) en J.M.L. Lauweriks (1869-1923).
A: Tekeningenarchief in het Documentatiecentrum voor de Nederlandse Bouwkunst te Amsterdam. Persoonlijk archief Cuijpers in Gemeentearchief Roermond.
P: Behalve diverse artikelen in vaktijdschriften: Het Rijks-Museum te Amsterdam. Tekst van Victor de Stuers. Platen van P.J.H. Cuypers (Amsterdam, [1896-1898]); Le château de Haar à Haarzuylens (Utrecht, 1909).
L: Victor de Stuers, 'Dr. P.J.H. Cuypers', in Mannen en vrouwen van beteekenis in onze dagen. Bijeengebr. door E.D. Pijzel 28 (1897) 187-228; Het werk van Dr. P.J.H. Cuypers, 1827-1917 (Amsterdam, 1917) met een vrij uitvoerige werklijst; Cuypersnummer van Het Gildeboek 4 (1920/ '21) 49-112; Cuypersnummer van Limburg's Jaarboek 23 (1927) 3 - 104; Gerard Brom, Herleving van de kerkelike kunst in katholiek Nederland (Leiden, 1933); M.K.J. Smeets, 'Legendevorming omtrent 19e eeuwse gewelfbouw?', in De Maasgouw 72 (1958) 43 - 55; H.P.R. Rosenberg, 'De neogotiek van Cuypers en Tepe', in Bulletin van de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond 10 (1971) 1 - 14; idem, De 19de-eeuwse kerkelijke bouwkunst in Nederland ('s-Gravenhage, 1972); S. de Blaauw, 'Een negentiende-eeuwse Magister Operum. Pierre Cuypers en de bouwkunst van de Middeleeuwen', in Excursiones mediaevales. Opstellen aangeboden aan Prof.Dr. A.G. Jongkees door zijn leerlingen (Groningen, 1979) 13 - 38; G. Hoogewoud, J.J. Kuyt, A. Oxenaar, P.J.H. Cuypers en Amsterdam: gebouwen en ontwerpen 1860-1898 (['s-Gravenhage], 1985).
I: F.J. Duparc, Een eeuw strijd voor Nederlands cultureel erfgoed ('s-Gravenhage 1975) [Afbeelding 19; Pierre Cuijpers circa 1880].
A.J. Looyenga, zn. van Johannes Hubertus Cuypers (kunst- en huisschilder) en Maria Johanna Bex, geb. te Roermond [li] op 16 mei 1827, ovl. (93 jaar oud) te Roermond [li] op 3 mrt 1921, tr. (resp. 23 en 24 jaar oud) (1) op 26 nov 1850 met Maria Rosalia van de Vin. Uit dit huwelijk 2 kinderen, waaronder, tr. (resp. 31 en 28 jaar oud) (2) te Amsterdam [nl] op 1 mrt 1859.
tr. (resp. ongeveer 24 en ongeveer 33 jaar oud) te Roermond [li] op 3 sep 1898
met
Theodore Willem Frederik Alfred Mathon, zn. van Edmond Hendrik Frans Willem Mathon (diverse publieke functies) en Eulalia Clementina Carolina Serraris, geb. te Maastricht [li] circa 1865, ambtenaar kantongerecht te Breda, ovl. (ongeveer 78 jaar oud) te Vught [nb] op 15 mei 1944.
>
Theodorus Josephus Antonius Maria Alberdingk Thijm
Theodorus Josephus Antonius Maria Alberdingk Thijm, geb. te Bussum [nh] circa 1882.
tr. (resp. ongeveer 23 en 23 jaar oud) te Roermond [li] op 17 aug 1905
met
Johanna Margaretha Renildis Maria Hermans, dr. van Petrus Amandus Charles Hubertus Hermans en Maria Arnoldina Hubertina Borret, geb. te Roermond [li] op 16 jan 1882, ovl. (80 jaar oud) te Blaricum [nh] op 9 mrt 1962.
>
Johanna Margaretha Renildis Maria Hermans
Johanna Margaretha Renildis Maria Hermans, geb. te Roermond [li] op 16 jan 1882, ovl. (80 jaar oud) te Blaricum [nh] op 9 mrt 1962.
- Vader:
Petrus Amandus Charles Hubertus Hermans, geb. te Panheel [li] op 10 okt 1837, ovl. (55 jaar oud) te Roermond [li] op 11 apr 1893, tr. (resp. 30 en ongeveer 23 jaar oud) te Utrecht [ut] op 18 jun 1868.
tr. (resp. 23 en ongeveer 23 jaar oud) te Roermond [li] op 17 aug 1905
met
Theodorus Josephus Antonius Maria Alberdingk Thijm, zn. van Eduardus Maria Alberdingk en Catharina Felicia Rosalia Cuypers, geb. te Bussum [nh] circa 1882.
>
Petrus Amandus Charles Hubertus Hermans
Petrus Amandus Charles Hubertus Hermans, geb. te Panheel [li] op 10 okt 1837, ovl. (55 jaar oud) te Roermond [li] op 11 apr 1893.
tr. (resp. 30 en ongeveer 23 jaar oud) te Utrecht [ut] op 18 jun 1868
met
Maria Arnoldina Hubertina Borret, dr. van Eduard Joseph Hubert Borret (minister van justitie) en Henrica Cornelia Johanna van Berckel, geb. te Maastricht [li] circa 1844.
Uit dit huwelijk 9 kinderen, waaronder:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Johanna | *1882 | Roermond [li] | †1962 | Blaricum [nh] | 80 | 1 | 0 |
>
Maria Arnoldina Hubertina Borret
Maria Arnoldina Hubertina Borret, geb. te Maastricht [li] circa 1844.
tr. (resp. ongeveer 23 en 30 jaar oud) te Utrecht [ut] op 18 jun 1868
met
Petrus Amandus Charles Hubertus Hermans, geb. te Panheel [li] op 10 okt 1837, ovl. (55 jaar oud) te Roermond [li] op 11 apr 1893.
Uit dit huwelijk 9 kinderen, waaronder:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Johanna | *1882 | Roermond [li] | †1962 | Blaricum [nh] | 80 | 1 | 0 |
>
Alphons Johannes Maria Diepenbrock
Alphons Johannes Maria Diepenbrock, geb. te Amsterdam [nl] op het Rokin op 2 sep 1862, leraar oude talen, componist, ovl. (58 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 5 apr 1921, begr. te Amsterdam [nl] Buitenveldert.
tr. (resp. 33 en 27 jaar oud) te Rosmalen [nb] hun nieuwe adres: Nieuwer-Amstel, Parkweg wijk ff no. 100a, daarna Johannes Verhulstlaan 89 op 13 okt 1895
met
Wilhelmina Elisabeth Petronella Cornelia Elsa/Liesbeth de Jong van Beek en Donk, dr. van Johan Francois de Jong van Beek en Donk (laatstelijk procureur-generaal te Den Bosch) en Anna Cecile Wilhemina Jeannette Jacqueline Nahuys, geb. te Brielle [zh] op 22 jul 1868, ged. (52 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 23 dec 1920, ovl. (71 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 30 aug 1939, begr. te Amsterdam [nl] Buitenveldert in het graf van Alphons Diepenbrock.
Uit dit huwelijk 2 dochters:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Joanna | *1905 | Amsterdam [nl] | †1966 | Amsterdam [nl] | 60 | 1 | 1 |
| 2 | Dorothea | *1907 | Amsterdam [nl] | †1995 | | 87 | 1 | 1 |
>
Wilhelmina Elisabeth Petronella Cornelia de Jong van Beek en Donk
Wilhelmina Elisabeth Petronella Cornelia Elsa/Liesbeth de Jong van Beek en Donk, geb. te Brielle [zh] op 22 jul 1868, ged. (52 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 23 dec 1920, ovl. (71 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 30 aug 1939, begr. te Amsterdam [nl] Buitenveldert in het graf van Alphons Diepenbrock.
- Vader:
Johan Francois de Jong van Beek en Donk Jong van Beek en Donk, jhr. Johan Jan François de, jurist (Stratum, gem. Eindhoven 6-7-1834 - Hintham, gem. Rosmalen 29-6-1890). Zoon van jhr. Jan Olphert de Jong van Beek en Donk, jurist en politicus, en Wilhelmina Josephine Eleonore d'Aumerie. Gehuwd op 6-3-1863 met Anna Cecile Wilhelmine Jeannette Jacqueline Nahuijs. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 2 dochters geboren.
De Jong stamde uit een Oostbrabants geslacht van protestantse bestuursambtenaren, die zich sedert het midden van de achttiende eeuw Heer van Beek en Donk en Frisselstein mochten noemen. In 1831 werd grootvader Johannes, erf secretaris van Veghel en Erp en lid van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, in de adelstand verheven. Het bouwvallige kasteel Frisselstein te Veghel was in 1810 gesloopt; het Huis te Beek en Donk werd tot 1886 bewoond door Johans vader, oud-president van het Provinciaal Gerechtshof te Utrecht en lid van de Tweede Kamer; in 1895 zou Johans zoon er zijn intrek nemen.
Zelf bewoonde De Jong vanuit 1878 tot zijn dood de Annastate te Hintham. Toen hij zich in 1852 als rechtenstudent liet inschrijven aan de hogeschool van zijn woonplaats Utrecht, werd hij weldra kind aan huis bij de hoogleraar G.W. Vreede, die hem aanzette tot bestudering van de geschiedenis van het gewest waarmee zijn familie zulke nauwe banden had gehad. Op 4 juli 1857 verdedigde hij bij hem zijn proefschrift, getiteld: Bijdrage tot de geschiedenis van den raad en leenhove van Brabant en landen van Overmaze (1591 -1795) (Utrecht, 1857). Deze knap en helder geschreven verhandeling is de enige van De Jongs publikaties die niet in de vergetelheid is geraakt. Bij het schrijven ervan heeft hij rijkelijk kunnen putten uit Vreedes bibliotheek, maar ook uit het eigen familiearchief, dat thans berust in het Rijksarchief te Noord-Brabant. Ten gevolge van zijn plotselinge dood zijn Johans eigen bescheiden niet in het archief terechtgekomen. Hoezeer de gemeenschappelijke belangstelling voor Brabants verleden hem ook aan zijn leermeester bond, verflauwden toch spoedig de contacten wegens verschil van inzicht aangaande de actuele controverse tussen katholieken en protestanten. Vreede had al een rol gespeeld in het Groot-protestants verzet tegen het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie (1853); De Jong daarentegen, die in zijn proefschrift al voorzichtig kritiek had geuit op het Generaliteitsbewind, waarover de Brabanders nog steeds verbitterd waren, stond, evenals zijn vader, op het standpunt dat de beginselen van 1848 onverkort op de katholieken moesten worden toegepast. Zijn liberale overtuiging bleek onomwonden in een artikel over militair recht dat in 1860 in het juristentijdschrift Themis verscheen.
Na zijn promotie werd De Jong substituut-griffier aan de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch. In 1861 werd hij substituut-officier te Alkmaar, in 1866 officier van justitie te Brielle, in 1869 advocaat-generaal te Zwolle en in 1878 procureur-generaal aan het Provinciaal Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Als jurist genoot hij een zekere faam. Het Tijdschrift voor Strafrecht publiceerde zijn rede, in september 1886 ter gelegenheid van de invoering van het nieuwe Wetboek van Strafrecht voor het Bossche Hof gehouden, waarin hij een lans brak voor de eigen Nederlandse rechtsgeleerde traditie en waarschuwde tegen kritiekloos aanleunen bij de Duitse strafrechtspleging. Bekendheid kreeg hij ook door zijn pleidooi, in hetzelfde jaar, voor het verstrekken van vuurwapens aan gemeentelijke politiefunctionarissen.
Niet op rechtshistorisch of juridisch gebied echter ligt de voornaamste activiteit van De Jong, waarvoor hij eigenlijk een blijvende plaats in de Nederlandse geschiedenis verdient. Naast zijn werkzaamheden in de magistratuur heeft hij, vooral in de periode 1863 - 1880, tijdens discussiebijeenkomsten, als spreker op congressen, door het schrijven van een aantal brochures maar vooral als initiatiefnemer tot enige comités, het arbeidersvraagstuk onder de aandacht gebracht van de liberale intellectuelen. Verheffing van de werkman door beter en vakgericht onderwijs, bestrijding van misstanden op het gebied van huisvesting en werkklimaat, opvoeding van de arbeidersjeugd door het instellen van leerplicht en verbod op kinderarbeid waren de programmapunten, die hij ten dele ontleende aan geschriften van de Duitse kathedersocialisten en voor een deel in de omringende landen, vooral België, in praktijk had zien brengen. Om zijn doel te bereiken heeft De Jong bewust gekozen voor buitenparlementaire samenwerkingsverbanden tussen notabelen en werklieden. In politiek opzicht stond hij tussen progressief-liberalen en radicalen, maar liefst hield hij zich verre van strikt staatkundige kwesties. Als paternalist met een eenvoudige levensstijl wilde hij een gids zijn voor de voormannen van de vakverenigingen en hij heeft aanwijsbaar invloed gehad op de kaders van het Algemeen Nederlandsch Werklieden Verbond (ANWV), al zou hij zich blijvend tegen de invoering van algemeen kiesrecht verzetten.
In 1863 werd hij lid van de Vereeniging van de Statistiek in Nederland. Nadat een eerdere poging in 1864 was mislukt, kreeg hij tijdens een discussiebijeenkomst van de Vereeniging in april 1866 te Amsterdam gedaan dat een commissie werd ingesteld die door middel van enquêtes bouwstoffen zou verzamelen om de toestand van de arbeidende klasse te kenschetsen. In zijn brochure Zijn wij practische Philanthropen? (Utrecht, 1869) klaagde hij dat die commissie nog steeds geen cijfers op tafel had kunnen brengen. Opnieuw drong hij aan op enquêtes, ditmaal vooral toegespitst op verbetering van het nijverheidsonderwijs. Hij had geen goed woord over voor de toen gehouden kamerdebatten over het onderwijs; in plaats van zweverige debatten over neutrale scholen wilde hij praktische oplossingen. Inmiddels had hij in 1868 in Brielle een afdeling opgericht van het Anti-Dagbladzegel Verbond, dat steun verdiende om de zelfontplooiing van de arbeiders te bevorderen. De oprichting van de Eerste Internationale in 1869 was voor hem aanleiding tot nieuwe actie. Op 26 mei 1870 nam hij het initiatief tot oprichting van een 'Comité ter bespreking van de sociale kwestie', maar zijn idee om ook werklieden daarin op te nemen stuitte aanvankelijk op verzet. Pas op 30 oktober van dat jaar kwam het Comité van de grond, met De Jong als voorzitter van de toenmalige Zutphense HBS-leraar B.H. Pekelharing als secretaris. Er werden tweemaal per jaar discussiebijeenkomsten georganiseerd over onderwerpen als kinderarbeid, algemene leerplicht en algemeen stemrecht. De vergaderingen werden goed bezocht, vooral door werklieden, en ze gaven de aanzet tot de eerste prille sociale wetgeving in Nederland. Hoe sterk hij zich van de oude liberale beginselen had gedistantieerd, toonde De Jong in zijn geschrift De val der Julij-monarchie. Sociaal-politische schets (Utrecht, 1874). De revolutie van 1848 schreef hij toe aan het falen van zijn 'leermeester' Guizot, die de kloof tussen bourgeoisie en volk had vergroot en onnodig voedsel had gegeven aan ongeloof, socialistische en communistische ideeën. Toen echter in april 1879 een meerderheid van de vergadering zich schaarde achter het voorstel van Pekelharing over te gaan tot oprichting van het Comité voor Algemeen Kiesrecht haakte hij af en verdween van het toneel. Zijn Comité werd in juni 1880 formeel opgeheven.
P: Behalve de in de tekst genoemde werken: 'Iets over ons Militair Regt', in Themis. Regtskundig Tijdschrift. 2e verz. 7e dl. (1860) 470-486; 'Een opwekking tot zelfstandige uitlegging van ons nieuw Wetboek van Strafregt', in Tijdschrift voor Strafrecht 1 (1886-1887) 129-138.
L: Weekblad van het Recht 52 (1890) nr. 5887.4; B.H. Pekelharing, 'Herinneringen aan een tweetal comités', in Vragen des Tijds 21 (1895) II, 354-381; C.W. de Vries en R.A. Gorter, 'Bijdrage tot de geschiedenis der Nederlandsche sociale wetgeving (1840- 1874)', in De Economist (1919) 325-334; I.J. Brugmans, De arbeidende klasse in Nederland in de 19e eeuw 1813 -1870 8e dr. (Utrecht [etc, 1971]); Th. van Tijn, 'De tweede fase van de economische groei, 1868-1875', in Algemene Geschiedenis der Nederlanden (Haarlem, 1977) XII, 154-166; G. Taal, Liberalen en radicalen in Nederland, 1872 - 1901 (Den Haag, 1980).
A.W.F.M. van de Sande, zn. van Jan Olphert de Jong van Beek en Donk en Wilhelmina Eleonora Josephina d' Aumerie, geb. te Stratum [nb] op 6 jul 1834, laatstelijk procureur-generaal te Den Bosch, ovl. (55 jaar oud) te Rosmalen [nb] op Annastate Hintham op 29 jun 1890, tr. (resp. 28 en 36 jaar oud) te Utrecht [ut] op 6 mrt 1863.
tr. (resp. 27 en 33 jaar oud) te Rosmalen [nb] hun nieuwe adres: Nieuwer-Amstel, Parkweg wijk ff no. 100a, daarna Johannes Verhulstlaan 89 op 13 okt 1895
met
Alphons Johannes Maria Diepenbrock, zn. van Ferdinand Hubert Aloys Diepenbrock (commissionair te Rotterdam) en Johanna Josephina Kuitenbrouwer, geb. te Amsterdam [nl] op het Rokin op 2 sep 1862, leraar oude talen, componist, ovl. (58 jaar oud) te Amsterdam [nl] op 5 apr 1921, begr. te Amsterdam [nl] Buitenveldert.
Uit dit huwelijk 2 dochters:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Joanna | *1905 | Amsterdam [nl] | †1966 | Amsterdam [nl] | 60 | 1 | 1 |
| 2 | Dorothea | *1907 | Amsterdam [nl] | †1995 | | 87 | 1 | 1 |
>
Carl Joseph de Vrintz von Treuenfeld
Carl Joseph de Vrintz von Treuenfeld ein kaiserlicher Postmeister in Bremen und Oberpostmeister für Thurn und Taxis in Frankfurt am Main, geb. te Bremen [dl] in 1765, ovl. (ongeveer 87 jaar oud) te Frankfurt a. Main op 24 aug 1852.
tr. (resp. ongeveer 31 en ongeveer 28 jaar oud) te Bremen [dl] op 20 feb 1797
met
Cornelia Petronella Giselina (Cornelia Petronella G. Cornelius) Osy, dr. van Cornelis Joseph Osy en Johanna Barbara Antoinette Cornelissen van Schooten, ged. te Rotterdam [zh] statie Leeuwenstraat op 27 mei 1768 (getuigen: Johannes Baptist Cornelissen de Wijnsbroeck en Cornelia Petronella van Wevelinckhoven Cornelia Petronilla van Wevelinkhoven en Joan Baptist Cornelissen de Wijnsbroeck).
Uit dit huwelijk 2 zonen:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Alexander | *1799 | Bremen [dl] | †1890 | Frankfurt (D) [d] | 91 | 1 | 1 |
| 2 | Maximiliaan | *1802 | | †1896 | | 94 | 2 | 3 |
>
Alexander Theobald Joseph de Vrintz von Treuenfeld
Alexander Theobald Joseph de Vrintz von Treuenfeld, geb. te Bremen [dl] op 29 mei 1799, ovl. (91 jaar oud) te Frankfurt (D) [d] op 5 aug 1890.
- Vader:
Carl Joseph de Vrintz von Treuenfeld ein kaiserlicher Postmeister in Bremen und Oberpostmeister für Thurn und Taxis in Frankfurt am Main, geb. te Bremen [dl] in 1765, ovl. (ongeveer 87 jaar oud) te Frankfurt a. Main op 24 aug 1852, tr. (resp. ongeveer 31 en ongeveer 28 jaar oud) te Bremen [dl] op 20 feb 1797.
tr. (resp. 26 en 18 jaar oud) te Zegwaard [zh] op 29 jun 1825 (getuige: Joan Lodewijk Augustus d'Ozy, 39 jaar oud, wonende te Rotterdam, broeder bruid+ Charles Patrick Eduard d'Ozy, 36 jaar oud, wonende te Rotterdam, broeder bruid; Joseph Lodewijk Alexander d'Osy, 31 jaar oud, wonende te Rotterdam, broeder bruid; Joseph Franciscus Johannes Nepomeánus Grane van Baillet, 36 jaar oud, wonende te Brussel, Lid Provinciale Staten van beroep, aangehuwd broeder bruid)
met
Louize Caroline Corneille Osy de Zegwaart, dr. van Corneille Baudouin Gislain Osy (heer van Zegwaard en Palenstein) en Isabelle Maria Francoise Gislaine Osy, geb. te Hamburg [Duitsland] op 1 apr 1807.
Uit dit huwelijk een dochter:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Cornelia | *1828 | Brussel [België] | †1863 | Brussel [België] | 34 | 1 | 0 |
>
Louize Caroline Corneille Osy de Zegwaart
Louize Caroline Corneille Osy de Zegwaart, geb. te Hamburg [Duitsland] op 1 apr 1807.
- Vader:
Corneille Baudouin Gislain Osy in 1816 door koning Willem I in de adelstand verheven, met de titel van baron, eveneens voor zijn afstammelingen, zn. van Johan Karel Osy de Jonge van Zegwaard en Anna Maria Vloers, geb. te Rotterdam [zh], ged. te Rotterdam [zh] Joanna Baldewina Maria van Gestel en Cornelius Josephus Osij op 20 dec 1757, heer van Zegwaard en Palenstein, ovl. (ongeveer 73 jaar oud) te Brussel [België] op 3 dec 1831, tr. (resp. ongeveer 26 en ongeveer 17 jaar oud) te Rotterdam [zh] op 16 mei 1784.
tr. (resp. 18 en 26 jaar oud) te Zegwaard [zh] op 29 jun 1825 (getuige: Joan Lodewijk Augustus d'Ozy, 39 jaar oud, wonende te Rotterdam, broeder bruid+ Charles Patrick Eduard d'Ozy, 36 jaar oud, wonende te Rotterdam, broeder bruid; Joseph Lodewijk Alexander d'Osy, 31 jaar oud, wonende te Rotterdam, broeder bruid; Joseph Franciscus Johannes Nepomeánus Grane van Baillet, 36 jaar oud, wonende te Brussel, Lid Provinciale Staten van beroep, aangehuwd broeder bruid)
met
Alexander Theobald Joseph de Vrintz von Treuenfeld, zn. van Carl Joseph de Vrintz von Treuenfeld en Cornelia Petronella Giselina Osy, geb. te Bremen [dl] op 29 mei 1799, ovl. (91 jaar oud) te Frankfurt (D) [d] op 5 aug 1890.
Uit dit huwelijk een dochter:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Cornelia | *1828 | Brussel [België] | †1863 | Brussel [België] | 34 | 1 | 0 |
>
Corneille Baudouin Gislain Osy
Corneille Baudouin Gislain Osy in 1816 door koning Willem I in de adelstand verheven, met de titel van baron, eveneens voor zijn afstammelingen, geb. te Rotterdam [zh], ged. te Rotterdam [zh] Joanna Baldewina Maria van Gestel en Cornelius Josephus Osij op 20 dec 1757, heer van Zegwaard en Palenstein, ovl. (ongeveer 73 jaar oud) te Brussel [België] op 3 dec 1831.
- Vader:
Johan Karel Osy de Jonge van Zegwaard, zn. van Johannes Osy (wijnkoper te Rotterdam en lid van de fa. Joan Osy en ZN, bankiers) en Maria Josepha de Bie, geb. te Rotterdam [zh] op 14 nov 1727, begr. te Rotterdam [zh] op 12 okt 1790, tr. (resp. 22 en ongeveer 25 jaar oud) (1) te Rotterdam [zh] Stadstrouw, Rotterdam, archief 1-01, inventarisnummer 1065, 7 januari 1750 op 7 jan 1750 met Ludwina Maria van der Linden, dr. van Johannes van der Linden en Anna Maria Wevelinckhoven, geb. in 1724, begr. te Rotterdam [zh] Grote kerk eigen, overledene liet na 1 minderjarig kind, Wijnhaven, 4Å? uur luiden op 9 jul 1751 Stadsarchief Rotterdam te Rotterdam, DTB Begraven
Begraven 1750-1759, Rotterdam, archief 9999_19, inventarisnummer, 9 juli 1751. Uit dit huwelijk een zoon, tr. (resp. 27 en ongeveer 25 jaar oud) (2) te Rotterdam [zh] op 17 jan 1755.
- Moeder:
Anna Maria Vloers, dr. van Anthonie Vloers en Johanna Maria Boudewina van Gestel, geb. te Gorcum in 1729, ovl. (ongeveer 55 jaar oud) te Rotterdam [zh] op 23 dec 1784, begr. te Rotterdam [zh] in de Grote kerk, overledene liet na 1 meerderjarig kind, Leuvehave bij Leuvebrug 4Å? uur luijde, Joan Osij was heer van Palesteyn en Zegtwaart op 29 dec 1784 Stadsarchief Rotterdam te Rotterdam, DTB Begraven
Begraven 1780-1789, Rotterdam, archief 9999_22, inventarisnummer, 29 december 1784.
tr. (resp. ongeveer 26 en ongeveer 17 jaar oud) te Rotterdam [zh] op 16 mei 1784
met
Isabelle Maria Francoise Gislaine Osy, dr. van Cornelis Joseph Osy en Johanna Barbara Antoinette Cornelissen van Schooten, geb. in 1766, ged. te Rotterdam [zh] op 15 apr 1766 (getuigen: Isabellla Maria Francisca Martini en Joan Osij Van Zegwaart), ovl. (ongeveer 74 jaar oud) in 1840.
Uit dit huwelijk 7 kinderen:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Joannes | *1786 | Rotterdam [zh] | †1828 | Rotterdam [zh] | 41 | 1 | 0 |
| 2 | Maria | ~1787 | Rotterdam [zh] | | | | 0 | 0 |
| 3 | Charles | ~1788 | Rotterdam [zh] | | | | 0 | 0 |
| 4 | Marie | *1790 | Rotterdam [zh] | †1862 | | 72 | 1 | 0 |
| 5 | Jean | *1792 | Rotterdam [zh] | †1866 | | 74 | 1 | 2 |
| 6 | Joseph | *1794 | Rotterdam [zh] | †1862 | Brussel [België] | 67 | 2 | 2 |
| 7 | Louize | *1807 | Hamburg [Duitsland] | | | | 1 | 1 |
>
Isabelle Maria Francoise Gislaine Osy
Isabelle Maria Francoise Gislaine Osy, geb. in 1766, ged. te Rotterdam [zh] op 15 apr 1766 (getuigen: Isabellla Maria Francisca Martini en Joan Osij Van Zegwaart), ovl. (ongeveer 74 jaar oud) in 1840.
- Vader:
Cornelis Joseph Osy, zn. van Johannes Osy (wijnkoper te Rotterdam en lid van de fa. Joan Osy en ZN, bankiers) en Maria Josepha de Bie, geb. te Rotterdam [zh] in 1735, ovl. (ongeveer 78 jaar oud) te Antwerpen [b, België] op 15 jan 1814, otr. te Rotterdam [zh] op 26 jan 1765, tr. (resp. ongeveer 29 en 22 jaar oud) te Antwerpen [b, België] op 5 feb 1765 (1765).
tr. (resp. ongeveer 17 en ongeveer 26 jaar oud) te Rotterdam [zh] op 16 mei 1784
met
Corneille Baudouin Gislain Osy in 1816 door koning Willem I in de adelstand verheven, met de titel van baron, eveneens voor zijn afstammelingen, zn. van Johan Karel Osy de Jonge van Zegwaard en Anna Maria Vloers, geb. te Rotterdam [zh], ged. te Rotterdam [zh] Joanna Baldewina Maria van Gestel en Cornelius Josephus Osij op 20 dec 1757, heer van Zegwaard en Palenstein, ovl. (ongeveer 73 jaar oud) te Brussel [België] op 3 dec 1831.
Uit dit huwelijk 7 kinderen:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Joannes | *1786 | Rotterdam [zh] | †1828 | Rotterdam [zh] | 41 | 1 | 0 |
| 2 | Maria | ~1787 | Rotterdam [zh] | | | | 0 | 0 |
| 3 | Charles | ~1788 | Rotterdam [zh] | | | | 0 | 0 |
| 4 | Marie | *1790 | Rotterdam [zh] | †1862 | | 72 | 1 | 0 |
| 5 | Jean | *1792 | Rotterdam [zh] | †1866 | | 74 | 1 | 2 |
| 6 | Joseph | *1794 | Rotterdam [zh] | †1862 | Brussel [België] | 67 | 2 | 2 |
| 7 | Louize | *1807 | Hamburg [Duitsland] | | | | 1 | 1 |
>
Joseph Louis Alexandre Osy van Zegwaard
Joseph Louis Alexandre Osy van Zegwaard, geb. te Rotterdam [zh] op 23 mei 1794, ovl. (67 jaar oud) te Brussel [België] op 16 feb 1862.
- Vader:
Corneille Baudouin Gislain Osy in 1816 door koning Willem I in de adelstand verheven, met de titel van baron, eveneens voor zijn afstammelingen, zn. van Johan Karel Osy de Jonge van Zegwaard en Anna Maria Vloers, geb. te Rotterdam [zh], ged. te Rotterdam [zh] Joanna Baldewina Maria van Gestel en Cornelius Josephus Osij op 20 dec 1757, heer van Zegwaard en Palenstein, ovl. (ongeveer 73 jaar oud) te Brussel [België] op 3 dec 1831, tr. (resp. ongeveer 26 en ongeveer 17 jaar oud) te Rotterdam [zh] op 16 mei 1784.
tr. (resp. 31 en 19 jaar oud) (1) te Brussel [België] op 25 jan 1826
met
Marie Therèse Pauline Ghislaine Diert de Kerkwerve, dr. van Johan Gerard Diert en Maria Barbara Ghislaine Osy de Zegwaert, geb. te Brussel [België] op 3 mei 1806, ovl. (26 jaar oud) te Rome [Italië] op 21 jan 1833.
Uit dit huwelijk 2 zonen:
| | naam | geb. | plaats | ovl. | plaats | oud | relatie | kinderen |
| 1 | Joan | *1827 | Rotterdam [zh] | | | | 1 | 0 |
| 2 | Antoine | *1828 | Rotterdam [zh] | | | | 0 | 0 |
tr. (resp. 41 en ongeveer 27 jaar oud) (2) te Brussel [België] op 7 apr 1836
met
Zoé van Volden, geb. te Brussel [België] in 1808, ovl. (ongeveer 31 jaar oud) in 1839.
>